De regelmatige administratieve rechtshandeling die rechten heeft verleend, kan niet worden ingetrokken

De regelmatige administratieve rechtshandeling die rechten heeft verleend, kan niet worden ingetrokken.

Raad van State, arrest nr. 227.058 van 7 april 2014, BV CVBA ARCHITECTEN GROEP III

De “klassieke intrekkingsleer” die door de Raad van State sinds lang wordt toegepast, stelt dat een administratieve rechtshandeling die geen rechten heeft doen ontstaan, steeds, en ongeacht het al of niet regelmatige karakter ervan, mag worden ingetrokken indien de overheid van oordeel is dat het algemeen belang zulks vereist. Een regelmatige administratieve rechtshandeling die rechten heeft verleend, kan daarentegen niet worden ingetrokken. Zulks wordt geacht strijdig te zijn met de rechtszekerheid.

In het kader van het overheidsopdrachtencontentieux rijst dan ook daarbij de vraag wanneer een gunningsbeslissing meer precies  “rechten heeft doen ontstaan”.

Stel bijvoorbeeld dat de aanbestedende overheid reeds formeel besloot tot gunning van een opdracht aan een bepaalde inschrijver.  Doch, nadien komt zij tot de vaststelling dat de producten van de betreffende inschrijver toch niet beantwoorden aan de gestelde vereisten.  Kan die beslissing dan nog worden ingetrokken?

In het arrest ARALCO (R.v.St. 2 december 1999, nr. 83.788) werd de Raad van State reeds uitgenodigd om zich over deze vraag uit te spreken.  De Raad benaderde deze problematiek vanuit het principiële recht van de aanbestedende overheid om af te zien van de gunning van de opdracht op grond van artikel 18 Overheidsopdrachtenwet 1193 en oordeelde als volgt:

 “[...] dat uiteraard slechts kan worden afgezien van de gunning zolang deze niet is geschied; dat  volgens artikel 117, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de  overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor  openbare werken, de opdracht is gegund wanneer aan de betrokken inschrijver kennis is  gegeven van [de goedkeuring van] zijn offerte; dat derhalve de overheid tot op dat  ogenblik van het gunnen van de opdracht kan afzien en dus ook haar reeds genomen  beslissing om toe te wijzen kan intrekken zonder de rechten van de betrokken  inschrijver te miskennen, aangezien deze pas ontstaan bij de kennisgeving; dat  weliswaar haar beslissing om de procedure te beëindigen op in rechte en in feite aanvaardbare  motieven gesteund zal moeten zijn, wat in het tweede middel ter sprake komt; dat in dat geval  dan echter geen sprake is van schending van het principieel verbod een handeling die rechten  heeft doen ontstaan, in te trekken; dat in deze zaak de intrekking plaats heeft gehad vooraleer  de toewijzingsbeslissing aan verzoekster ter kennis werd gebracht; dat het middel niet ernstig  is;[...].”


Rekening houdend met de nieuwe terminologie (cfr. artikel 3, 17° Overheidsopdrachtenwet 2006), mocht op grond van voorgaand arrest worden aangenomen dat, zolang de opdracht nog niet is gesloten, de gunningsbeslissing nog 'intrekbaar' is, althans voor zover daartoe deugdelijke motieven voorhanden zijn.  Pas van zodra er een contractuele band tot stand is gekomen tussen de aanbestedende overheid en de opdrachtnemer doet de gunningsbeslissing, als administratieve rechtshandeling, rechten ontstaan in hoofde van de begunstigde inschrijver.

Zeer recent heeft de Raad van State zulks bevestigd, m.n. in de zaak BV CVBA ARCHITECTEN GROEP III van 7 april 2014 (nr. 227.058). 

De casus betrof het volgende:
De aanbestedende overheid besloot een opdracht te gunnen aan voornoemd architectenbureau.  Gelet op de daarop ingestelde procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid (UDN), die volgens de aanbestedende overheid wellicht tot de effectieve schorsing van de beslissing zou leiden, werd besloten de betreden gunningsbeslissing in te trekken.  Vervolgens werd een nieuwe gunningsbeslissing getroffen, waarbij een andere begunstigde werd aangeduid.  Voornoemd architectenbureau werd ditmaal (ingevolge de correcte argumenten aangedragen in het verzoekschrift tot schorsing) niet geselecteerd. 

Het architectenbureau besloot daarom op zijn beurt een vordering tot schorsing bij UDN in te stellen bij de Raad, daarbij o.m. aanvoerend dat de eerste gunningsbeslissing niet kon worden ingetrokken. 

Met verwijzing naar voornoemd arrest ARALCO, verwierp de Raad deze redenering:

 “Wat de gunning van overheidsopdrachten betreft lijkt er, zoals de Raad reeds overwoog  in het arrest Aralco, nr. 83.788 van 2 december 1999, slechts sprake te zijn van een  administratieve rechtshandeling die rechten toekent, nadat de overeenkomst tussen  de aanbestedende overheid en de gekozen inschrijver is gesloten.
 De verzoekende partij beweert niet en er blijkt ook niet uit het dossier dat de eerste, ingetrokken  beslissing tot gunning aan haar heeft geleid tot de sluiting van de overeenkomst tussen haar en  de verwerende partij.
 De verzoekende partij toont op het eerste zicht dan ook niet aan om welke reden de eerste  gunningsbeslissing van 23 december 2013, die haar nog geen rechten verschafte, niet zou  mogen worden ingetrokken, gesteld dat de intrekkingsbeslissing aan de  motiveringsverplichtingen voldoet, wat voorts in het middel ter sprake komt.
 In zoverre is dan ook niet aangetoond dat het rechtszekerheidsbeginsel zou zijn miskend.”

 
Een reden te meer om - zelfs vrijwillig - een wachttermijn te respecteren, zo lijkt.

Immers, eens de opdracht wordt gesloten, is een intrekking van de gunningsbeslissing in functie van een desgevallend terechte kritiek van een niet-begunstigde inschrijver die mogelijks ook een procedure instelt bij de Raad van State, principieel uitgesloten. 

Meer info?

Contacteer Gitte LAENEN
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be