Strijd tegen de fiscus wordt een flink pak duurder

De strijd tegen de fiscus wordt een flink pak duurder

Belastingplichtigen die naar de rechter stappen tegen een belastingaanslag moeten voortaan alle advocatenkosten zelf dragen, zelfs als de rechtbank hen in het gelijk stelt en de aanslag onterecht was. Dat is het gevolg van een wet die, voor de ontbinding van het parlement, op 25 april 2014, werd goedgekeurd en die op 19 augustus 2014 in het Belgisch Staatsblad is verschenen. De vraag rijst evenwel of deze wet al dan niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.

Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat

De Wetgever beoogde met de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat een einde te maken aan de discriminatie die erin bestond dat er geen wettelijke bepaling voorhanden was die de rechter toeliet het honorarium en de kosten van een advocaat ten laste te leggen van de verliezende partij.

Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek werd in die zin gewijzigd dat de rechtsplegingsvergoeding voortaan wordt beschouwd als een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en de erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij. De bedragen van deze vergoedingen werden vastgelegd bij koninklijk besluit (Koninklijk Besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat (BS 9 november 2007)). Ook het Wetboek van strafvordering werd gewijzigd om de verhaalbaarheid gedeeltelijk uit te breiden tot de zaken die door de strafgerechten worden behandeld.

Het Grondwettelijk Hof heeft zich met betrekking tot deze aangelegenheid meermaals uitgesproken over beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging en over verschillende prejudiciële vragen.


Wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties

Met de Wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering en tot opheffing van artikel 6 van de Wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties greep de wetgever in om een aantal tekortkomingen van deze wet weg te werken. Hij hield daarbij rekening met het arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 van het Grondwettelijk Hof dat betrekking heeft op de Wet van 21 april 2007. In dit arrest heeft het Hof onder meer geoordeeld dat “de wetgever wegens de opdracht die aan het openbaar ministerie is toegewezen, vermocht [...] ervan uit te gaan dat een regeling volgens welke een rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zou zijn telkenmale de vordering van het openbare ministerie zonder gevolg blijft, niet tot die laatstgenoemde diende te worden uitgebreid”.

Eén van de wijzigingen vervat in de Wet van 21 februari 2010 bestaat erin dat de Belgische Staat niet meer kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering tussenkomt in een burgerlijk geding of wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten. Het openbaar ministerie verdedigt immers in burgerlijke zaken, zoals in strafzaken, het algemeen belang en moet daarom zijn rechtsvordering in volle onafhankelijkheid en zonder rekening te houden met het financiële risico van een proces, kunnen uitoefenen. Deze regel werd ingeschreven in artikel 1022, achtste lid, dat evenwel slechts in werking treedt op een door de Koning te bepalen datum.

In het arrest nr. 83/2011 oordeelt het Hof dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek een schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat kan worden gelegd wanneer de arbeidsauditeur in het ongelijk wordt gesteld bij zijn rechtsvordering op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. In het arrest nr. 42/2013 hanteert het Hof dezelfde redenering wanneer een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat wordt uitgesproken in het geval de procureur des Konings in het ongelijk wordt gesteld bij zijn vordering tot nietigverklaring van een huwelijk op grond van artikel 184 van het Burgerlijk Wetboek. De inwerkingtreding van artikel 1022, achtste lid, kan deze schendingen ongedaan maken.


In de arresten nr. 43/2012 en nr. 36/2013 breidt het Grondwettelijk Hof de redenering uit tot het geval waarbij een gemachtigde stedenbouwkundige ambtenaar in het ongelijk wordt gesteld voor de burgerlijke rechtbank bij zijn herstelvordering op basis van de decreten betreffende de ruimtelijke ordening. Het Grondwettelijk Hof oordeelt dat de herstelvordering van de gemachtigde ambtenaar uitsluitend in het algemeen belang wordt ingesteld, met het oog op het vrijwaren van de goede ruimtelijke ordening. Het Hof oordeelt dat het verschil in statuut van de gemachtigde ambtenaar, die tot de uitvoerende macht behoort, en een lid van het openbaar ministerie, dat als magistraat tot de rechterlijke orde behoort, niet volstaat om een verschil in behandeling te verantwoorden dat zou toelaten een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de gemachtigde ambtenaar te leggen. Het Grondwettelijk Hof besluit dan ook dat de gemachtigde ambtenaren, net zoals het openbaar ministerie, hun vordering in volle onafhankelijkheid moeten kunnen uitoefenen, zonder rekening te houden met het financiële risico van een proces.

Volgens de indieners van het wetsvoorstel bood de Wet van 21 februari 2010 geen oplossing voor dit probleem, waardoor een wetgevend optreden nodig was.


Wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet

De wijziging van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, met name de aanvulling van het  achtste lid van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek met een 3°, luidende “Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding” vloeit dus voort uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.

In voormelde arresten heeft het Grondwettelijk Hof vastgesteld dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, in zoverre het toelaat dat de Staat kan worden veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang optreedt in een geding, niet in overeenstemming is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Om aan deze ongrondwettigheid te verhelpen werd voorgesteld om alle publiekrechtelijke rechtspersonen die in het algemeen belang optreden in een geding te vrijwaren van een veroordeling in de rechtsplegingsvergoeding.
 

Gevolgen van de Wet van 25 april 2014 op fiscale geschillen

Op grond van artikel 1022, achtste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek zal de fiscus de belastingplichtige niet moeten vergoeden voor de gemaakte kosten, ook niet als die laatste de rechtszaak wint. Normaal moet de verliezer van een procedure aan de winnaar een vergoeding betalen. Deze zogenaamde rechtsplegingsvergoeding hangt af van de waarde van het geschil en varieert tussen 165 en 16.500 euro. Als de belastingplichtige de fiscale procedure verliest, wordt hij wél veroordeeld tot het betalen van een rechtsplegingsvergoeding aan de staat.

De vraag rijst evenwel of deze wet al dan niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Immers, als de overheid geen schadevergoeding moet betalen voor onterechte claims op burgers dan vormt dit een grote besparing. Het probleem is evenwel dat dit niet wederzijds werkt. Als de burger in het ongelijk wordt gesteld dan moet hij de rechtsplegingsvergoeding betalen, als de overheid ongelijk krijgt, moet ze dat niet.

Verwacht mag worden dat deze wet door diverse belangengroepen zal worden aangevochten voor het Grondwettelijk Hof. Desbetreffend kan worden genoteerd dat consumentenorganisatie Dolor alvast naar het Grondwettelijk Hof is gestapt tegen deze wet.


Inwerkingtreding

Artikel 1022, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de Wet van 21 februari 2010, is momenteel nog niet in werking getreden. Aangestipt wordt dat de nieuwe bepaling van artikel 1022, achtste lid, 3° van het Gerechtelijk Wetboek niet in werking zal treden voor de inwerkingtreding van artikel 2 van de Wet van 21 februari 2010 dat het achtste lid aan artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek heeft toegevoegd.

 

Meer info?

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be