Bijkomende voorwaarde voor recent afgebroken zonevreemde woningen of constructies is bestaanbaar met de Grondwet

Bijkomende voorwaarde voor recent afgebroken zonevreemde woningen of constructies is bestaanbaar met de Grondwet

Het Grondwettelijk Hof sprak zich op 19 september 2014 uit over de verenigbaarheid van artikel 4.4.20 en artikel 4.2.24 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Dat gebeurde op vraag van de Raad van State, die vaststelde dat een samenlezing van deze artikelen voor gevolg had dat een categorie van personen van de mogelijkheid om een regularisatievergunning te verkrijgen worden uitgesloten, meer bepaald diegenen die zich in de situatie bevinden waarin voorafgaand aan de afbraak geen stedenbouwkundige vergunning tot verbouw of tot herbouw werd afgegeven.

Recent afbegroken zonevreemde woningen/constructies
 
Het is artikel 4.4.20 VCRO dat het toepassingsgebied van de zonevreemde basisrechten, waardoor men onder bepaalde voorwaarden in afwijking van de stedenbouwkundige voorschriften toch tot het verbouwen, herbouwen of uitbreiden van een zonevreemde woning of constructie kan overgaan, uitbreidt tot de recent afgebroken zonevreemde woningen of andere contstructies.
 
In dit artikel worden deze mogelijkheiden van overeenkomstige toepassing verklaard op zonevreemde woningen of constructies die recent geheel of gedeeltelijk zijn afgebroken.
 
Als bijkomende voorwaarde daarvoor wordt echter gesteld dat de gebeurde afbraak voorafgegaan dient te zijn gegaan door een stedenbouwkundige vergunning tot verbouw of tot herbouw.
 
Een dergelijke voorwaarde geldt niet voor de bestaande zonevreemde woningen of constructies.
 
 
Arrest nr. 129/2014
 
Het Grondwettelijk Hof is nu van oordeel dat deze bijkomende voorwaarde verantwoord is.
 
Gesteld wordt namelijk dat dit artikel een uitzondering vormt op de voorwaarde dat zonevreemde constructies moeten bestaan op het ogenblik van de vergunningsaanvraag, en dat het aan de decreetgever toekomt om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden bij de vergunningverlening afwijkingen kunnen worden toegestaan van de stedenbouwkundige voorschriften.
 
In het licht van de ruime beoordelingsbevoegdheid van de decreetgever dienaangaande wordt dan ook besloten dat het onderwerpen van een aanvraag voor een "recent afgebroken" zonevreemde woning of constructie aan strengere voorwaarden dan een aanvraag voor een "bestaande" zonevreemde woning of constructie, niet zonder redelijke verantwoording is, waarbij deze verantwoording erin bestaat dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat het verbouwen of herbouwen van een reeds afgebroken woning of constructie een grotere impact heeft op de ruimtelijke ordening dan het herbouwen of verbouwen van een bestaande woning.
 
De prejudiciële vraag werd dan ook ontkennend beantwoord.

Meer info?

Contacteer Tom Swerts
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be