Naar een revival van de gemeentebelasting op masten en pylonen?

Naar een revival van de gemeentebelasting op masten en pylonen?

Inleiding

De belasting op gsm-masten, later beperkt tot masten en pylonen, werd van meet af systematisch betwist door de telecomoperatoren en heeft al heel wat stof doen opwaaien in de rechtspraak. Het sterkste strijdwapen in de juridische veldslag tussen gemeenten en telecomoperatoren, vormden de artikelen 97 en 98 van de Wet van 21 maart 1991 tot hervorming van sommige economische overheidsbedrijven die voorzien in een vrij en onbelast gebruik van het openbaar domein ten gunste van elke operator van een openbaar telecommunicatienet. Deze bepalingen kennen hun oorsprong in de Europese Machtigingsrichtlijn.

Recent hebben enkele hoogste rechtscolleges zich positief uitgesproken omtrent het feit dat een lokale belasting op masten en pylonen kan worden geheven door de gemeenten. De artikelen 97 en 98 van de Wet van 21 maart 1991 zouden immers niet eraan in de weg staan dat een dergelijke belasting kan worden geheven. Het lijkt er prima facie op dat deze rechtspraak de deur opnieuw heeft opengezet voor een veralgemeende invoering van lokale belastingen op masten en pylonen al lijkt enige voorzichtigheid toch geboden.

Algemeen
 
De belasting op gsm-masten, later beperkt tot masten en pylonen, heeft al heel wat stof doen opwaaien in de rechtspraak. De gsm-operatoren zijn allerminst opgezet met deze belasting. De gemeenten die een dergelijke belasting nog heffen zullen het geweten hebben. De artikelen 97 en 98 van de Wet van 21 maart 1991 vormden het sterkste strijdwapen in de juridische veldslag tussen gemeenten en de telecomoperatoren. Deze artikelen voorzien in een vrij en onbelast gebruik van het openbaar domein ten gunste van elke operator van een openbaar telecommunicatienet. Het doel van de Wet van 21 maart 1991 is voornamelijk gelegen in de ontwikkeling van de telecommunicatiemarkt in België, waarbij eigenaar en beheerders van het openbaar en privaat domein het gebruik moeten toelaten van hun eigendom om kabels, bovengrondse lijnen en bijhorende uitrustingen aan te leggen. Voor dat gebruiksrecht mag de overheid de operator geen belasting, taks, cijns, retributie of vergoeding van welke aard opleggen.

Draagwijdte van de artikelen 97 en 98 van de Wet van 21 maart 1991 inzake lokale belastingen

Artikel 97, § 1 van de Wet van 21 maart 1991 verleent aan elke operator van een openbaar telecommunicatienet de machtiging om, mits eerbiediging van hun bestemming en de wettelijke en reglementaire bepalingen die hun gebruik regelen, het openbaar domein en de eigendommen te gebruiken om kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen aan te leggen en alle nodige werken hieraan uit te voeren. De overheid (waarvan het openbaar domein afhangt) mag aan de operatoren van een openbaar telecommunicatienet, geen belasting, taks, cijns, retributie of vergoeding, van welke aard ook, opleggen voor het loutere gebruik van het openbaar domein en uitsluitend voor het aanleggen van kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen.

Artikel 98, § 2 van de Wet van 21 maart 1991 waarborgt de kosteloosheid van het privatieve gebruik van het openbaar domein door de operatoren van openbare telecommunicatienetten en verbiedt dat de gemeenten een vergoeding krijgen in ruil voor het privatieve gebruik van het openbaar domein waarvoor zij te dezen toestemming verlenen.

In de rechtspraak was er lange tijd discussie over de draagwijdte van deze beperking voor lokale overheden om belastingen te heffen. Een deel van de rechtspraak oordeelde dat de beperking enkel betrekking had op het recht van aanleg, dat ook het gebruikrecht omvat, op het openbaar domein. Een ander deel van de rechtspraak gaf een ruimere interpretatie aan deze verbodsbepaling en was van oordeel dat de bewoordingen “dat gebruiksrecht” betrekking hebben op het recht om zowel het openbaar domein als de private eigendommen te gebruiken.

In de rechtsleer ging de voorkeur uit naar het eerste standpunt, met name dat artikel 98 § 2 van de Wet van 21 maart 1991 enkel het gebruik van het openbaar domein kosteloos stelt. Het gebruiksrecht van privé-eigendommen is niet begrepen onder de vrijstelling van artikel 98, § 2 voornoemd. Er is met andere woorden geen enkele wettelijke bepaling die aan lokale overheden verbiedt een belasting te heffen op masten die zich op privé-eigendom bevinden.

Arresten van 23 november 2012 en 30 maart 2012 van het Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie stelde desbetreffend in zijn arresten van 23 november 2012 en 30 maart 2012 dat uit de artikelen 97 en 98 voornoemd volgt dat het elke overheid, waaronder ook de gemeenten, verboden is om een operator van een openbaar telecommunicatienetwerk een belasting, heffing of vergoeding van welke aard ook op te leggen voor het gebruik dat een operator kan maken van het openbaar domein voor het aanbrengen van kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen. Deze wetsbepalingen houden geen vrijstelling van gemeentebelastingen in voor het gebruik van eigendommen buiten het openbaar domein, aldus het Hof van Cassatie.

Een gemeentelijk reglement dat omwille van budgettaire redenen en omwille van het landschapverstorend karakter een belasting heft op masten en pylonen, ongeacht of deze gesitueerd zijn op het openbaar domein, strekt er niet toe een vergoeding te krijgen in ruil voor het privatieve gebruik van het openbaar domein en valt bijgevolg niet onder het verbod bepaald in artikel 98, § 2 van de Wet van 21 maart 1991.

Arrest nr. 189/2011 van 15 december 2011 van het Grondwettelijk Hof

Ook het Grondwettelijk Hof deed in een arrest nr. 189/2011 van 15 december 2011 betreffend de toepassing van de artikelen 97 en 98 van de Wet van 21 maart 1991 reeds uitspraak. Het Grondwettelijk Hof voerde een grondwetsconforme interpretatie uit en oordeelde dat de interpretatie, volgens dewelke deze artikelen de gemeenten zou verbieden een taks te heffen op gsm-pylonen, -masten, of -antennes op hun grondgebied die worden aangewend voor het verwezenlijken van telecommunicatieactiviteiten, niet verstaanbaar is met artikel 170, § 4 Gec. G.W.. Dergelijke interpretatie beperkt de door artikel 170, § 4 Gec. G.W. gewaarborgde fiscale bevoegdheid van de gemeenten meer dan noodzakelijk is. Het Grondwettelijk Hof oordeelt daarbij ook dat de artikelen 97 en 98 voornoemd ook op een andere wijze kunnen worden geïnterpreteerd.

Vooreerst stelt het Grondwettelijk Hof daarbij dat noch artikel 170, § 4 Gec. G.W., noch enige andere wetsbepaling vereist dat er een bijzondere band bestaat tussen de gemeentebelasting en de materiële bevoegdheden van de gemeente. Verder oordeelt het Hof ook dat de gsm-antennes en de masten of pylonen waarop die antennes staan, moeten worden onderscheiden van de kabels, bovengrondse lijnen en bijbehorende uitrustingen bedoeld in artikel 97 en 98 van de Wet van 21 maart 1991, en dus niet vallen onder het toepassingsgebied van het gebruik van het openbaar domein waarover die bepalingen handelen. Daaruit volgt dat artikel 98, § 2 de gemeenten niet verbiedt de economische activiteit van de telecomoperatoren die op het grondgebied van de gemeente verwezenlijkt wordt door de aanwezigheid op publiek of privaat domein van gsm-masten, -pylonen of -antennes die voor die activiteit worden aangewend, te belasten om budgettaire of andere redenen.

Arrest van 4 september 2014 van het Europees Hof van Justitie

Na het arrest van het Grondwettelijk Hof van 15 december 2011 heeft ook het Europese Hof van Justitie beslist dat een lokale belasting op gsm-masten toelaatbaar is.

In een arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2014 werd een prejudiciële vraag van het Hof van Beroep van Antwerpen in verband met de verenigbaarheid van de provinciebelasting van de Provincie Antwerpen op vestigingen (die o.a. gsm-masten viseerde) met artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn beantwoord.

Dit artikel regelt de vergoedingen waaraan de rechten om “faciliteiten” te “installeren” op, boven of onder openbare of particuliere eigendom, kunnen worden onderworpen. Deze vergoedingen moeten, o.m. “objectief gerechtvaardigd, transparant en niet-discriminerend” zijn, en beantwoorden aan welbepaalde doelstellingen, zoals de bevordering van de mededinging. Een belasting ingevoerd “op grond van budgettaire redenen” zou, volgens de telecomoperatoren, niet voldoen aan deze voorwaarden.

Volgens het Hof van Justitie staan de artikelen 6 en 13 van de Machtigingsrichtlijn er niet aan in de weg dat operatoren die elektronische communicatienetwerken of -diensten leveren, aan een algemene belasting op vestigingen worden onderworpen wegens de aanwezigheid op publiek of privaat domein van gsm-masten, -pylonen of -antennes die nodig zijn voor hun activiteit.

De Europese Machtigingsrichtlijn heeft betrekking op de voorwaarden voor het verkrijgen van vergunningen (machtigingen) door operatoren voor het gebruik van o.a. radiofrequenties en nummers en het toekennen van rechten voor het oprichten van faciliteiten op openbaar of privaat domein (erfdienstbaarheden van openbaar nut).

Het Europees Hof stelde in zijn antwoord vast dat artikel 13 van de Machtigingsrichtlijn de begrippen 'faciliteiten' en 'installeren' hanteert. Deze begrippen verwijzen naar (resp.) “de fysieke infrastructuur die de levering van elektronische communicatienetwerken en -diensten mogelijk maakt”, en “de fysieke plaatsing ervan op de betrokken openbare of particuliere eigendom”. Het artikel ziet volgens het Hof “niet op alle vergoedingen die verschuldigd zijn voor de infrastructuur die de levering van elektronische communicatienetwerken en -diensten mogelijk maakt”.
 
Het Hof onderzocht vervolgens of de provinciebelasting onder de regeling valt. Het Hof stelde vast dat “elke rechtspersoon” die op het grondgebied van de provincie Antwerpen “een vestiging” heeft (en die hij gebruikt of tot zijn gebruik voorbehoudt) onderworpen is aan de algemene provinciebelasting, ongeacht de aard van deze vestiging en de erin uitgeoefende activiteit. De belasting is dus niet beperkt tot de telecomoperatoren. Verder blijkt dat het bedrag van de belasting afhankelijk is van de oppervlakte van de vestiging.

Hieruit leidde het Hof af dat “het belastbaar feit” waardoor de provinciebelasting verschuldigd wordt, geen verband houdt met de verlening van rechten om faciliteiten te installeren in de zin van art. 13 van de Machtigingsrichtlijn. Deze “belasting is dus geen vergoeding in de zin van dit artikel en valt dus niet binnen de werkingssfeer van deze Richtlijn”.  Het Hof besloot dat het voormelde artikel van de Richtlijn “niet eraan in de weg staat dat operatoren die elektronische communicatienetwerken of -diensten leveren, aan een algemene belasting op vestigingen worden onderworpen wegens de aanwezigheid op publiek of privaat domein van GSM-masten, -pylonen of -antennes die nodig zijn voor hun activiteit”.

Aangezien de lokale belasting op gsm-masten niet geheven wordt op het verlenen van deze vergunningen en geen verband houdt met enig bijzonder recht of erfdienstbaarheid van openbaar nut, valt zij dus buiten de werkingssfeer van de richtlijn.

Een uitspraak in dezelfde lijn kan worden verwacht in de drie andere zaken waarin een Belgische rechtbank een gelijkaardige prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie heeft gesteld.

Besluit

Nu deze hoogste rechtscolleges zich positief hebben uitgesproken lijkt het er immers prima facie op dat alle juridische bezwaren betreffende de belasting op gsm-masten en pylonen zo goed als verdwenen zijn en lijkt de weg voor een nationale uitrol van een gemeentebelasting op gsm-masten daarmee voor het eerst geopend al lijkt enige voorzichtigheid toch geboden. Zo zal de gemeente naast een verwijzing naar de financiële toestand van de gemeente om een dergelijke belasting in te voeren, ook best in een bijkomende verantwoording voorzien. Tevens zal een duidelijke omschrijving van het belastbaar voorwerp noodzakelijk zijn, waarbij de vraag zal moeten worden gesteld of het belastbaar voorwerp nu al dan niet moet worden beperkt tot die masten en pylonen vanaf een bepaalde hoogte uitgedrukt in meters.   


Auteur: Bart Engelen

Meer info?
Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat - vennoot
015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be