Een inschrijver hoeft niet het onomstotelijke bewijs te leveren dat hij de opdracht gegund zou krijgen opdat het door hem ingeroepen middel ontvankelijk zou zijn

Een inschrijver hoeft niet het onomstotelijke bewijs te leveren dat hij de opdracht gegund zou krijgen opdat het door hem ingeroepen middel ontvankelijk zou zijn

Het is niet “nieuw” te noemen, maar het mag nog eens extra in de aandacht worden geplaatst: een inschrijver dient niet onomstotelijk aan te tonen dat zijn offerte als de meest voordelige zou worden gerangschikt opdat hij belang zou hebben bij het opwerpen van een middel tegen een voor hem ongunstige gunningsbeslissing.  Het volstaat dat de aangevoerde grief ertoe leidt dat de inschrijver, bij een nieuw onderzoek en beoordeling van de offertes, opnieuw kans maakt om als eerste te worden gerangschikt. 

Zulks werd recentelijk nogmaals bevestigd door de Raad van State, m.n. in het arrest Lambrecht (R.v.St. 16 oktober 2014, nr. 228.768).

De zaak handelde over een dienstenopdracht die werd geplaatst door de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (VMW), meer bepaald inzake de minnelijke invordering van onbetaalde facturen. 

De opdracht werd bij wege van onderhandelingsprocedure met bekendmaking gegund aan de tijdelijke handelsvennootschap cvba Gerechtsdeurwaarderskantoor De Meuter & Corstjens - cvba Gerechtsdeurwaarders Handelskaai Kortrijk.

Nadat de door de heer Lambrecht ingestelde vordering tot schorsing onontvankelijk werd verklaard door de Raad van State omdat deze niet via de daartoe geijkte procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid werd ingesteld (R.v.St. 26 juni 2012, nr. 219.943), diende deze inschrijver een verzoek tot vernietiging van de gunningsbeslissing in.

Hij voerde daarbij o.m. aan dat de VMW het toepasselijke bestek had geschonden. Hij was immers, als tweede beste geselecteerde kandidaat, niet uitgenodigd om zijn offerte toe te komen lichten, hoewel in het bestek werd voorgeschreven dat de drie best geselecteerde kandidaten daartoe zouden worden uitgenodigd.

De VMW betwiste het belang van verzoeker bij dit middel. Zij stelde dat de kwestieuze 'uitnodiging' enkel een toelichting beoogde en geen volwaardige onderhandelingsfase. Er was volgens de VMW m.a.w. slechts marge voor bevestigingen, preciseringen of verduidelijkingen, doch niet voor wijzigingen, laat staan een verbeterde of volledig nieuwe offerte. Dit bleek trouwens uit het effectieve verloop van de fase van toelichting; voor geen van de drie inschrijvers was een wijziging aangebracht in de beoordeling van de methodologie. Het puntenverschil tussen de verzoeker en de gekozen inschrijver kon enkel worden weggewerkt indien de offerte van verzoeker een betere score dan die van de gekozen inschrijver voor die methodologie zou krijgen. De offerte van verzoeker behaalde echter slechts een score van 10/30 (i.e. een 'voldoende') ingevolge vijf negatieve vaststellingen. Opdat de offerte van verzoeker de score 'goed' (20/30) zou krijgen en het puntenverschil zou kunnen worden overbrugd, zouden minstens het merendeel van die tekortkomingen moeten worden weggewerkt, hetgeen een fundamentele aanpassing van de offerte zou vragen. Kortom, zelfs indien verzoeker wel uitgenodigd zou zijn geweest om diens offerte toe te lichten, dan nog had zulks volgens de VMW niet tot gevolg kunnen hebben dat deze als de meest voordelige offerte zou worden gerangschikt.

De Raad van State aanvaardde deze redenering echter niet. 

Zoals reeds aangegeven, wees de Raad er vooreerst op dat verzoeker niet onomstotelijk diende aan te tonen dat zijn offerte als de meest voordelige zou worden gerangschikt opdat hij belang zou hebben bij een middel. Het volstaat dat de aangevoerde grief ertoe leidt dat de inschrijver, bij een nieuw onderzoek en beoordeling van de offertes, opnieuw kans maakt om als eerste te worden gerangschikt. 
 
In casu had verzoeker wel degelijk belang bij het middel gesteund op een schending van de bestekbepaling aangaande de uitnodiging tot toelichting van de offerte, nu een vernietiging op grond van dit middel ertoe kon leiden dat een nieuwe evaluatie zou worden doorgevoerd. Verzoeker zou alsnog dienen te worden uitgenodigd om zijn offerte toe te lichten, hetgeen, overeenkomstig deze bestekbepaling, aanleiding zou kunnen geven tot een wijziging van de beoordelingen en de rangschikking van de geselecteerde inschrijvers. Aldus zou verzoeker een nieuwe kans verwerven om zijn offerte als de meest voordelige te zien verschijnen.

De opmerking van de VMW betreffende de onmogelijkheid om wijzigingen in de offerte aan te brengen, deed daaraan geen afbreuk. Volgens de Raad volstond het feit dat verzoeker in staat zou worden gesteld om “bevestigingen, preciseringen of verduidelijkingen” aan te brengen bij de toelichting die de rangschikking kunnen wijzigen om verzoeker een belang toe te kennen bij het middel. Dit was des te meer het geval nu verzoeker in zijn derde middel o.m. aanvoerde dat de VMW niet met alle gegevens van zijn offerte m.b.t. het gunningscriterium 'methodologie en organisatie' rekening had gehouden.

Ten slotte merkte de Raad nog op dat de gevoerde gunningswijze de onderhandelingsprocedure was. Hij wees erop dat de VMW “de eigenheid van deze procedure” in acht diende te nemen.

Het middel werd, gezien de ontvankelijkheid ervan, vervolgens ook ten gronde onderzocht door de Raad, die daarbij tot de vaststelling kwam dat het inderdaad gegrond was.  De gunningsbeslissing van de VMW werd derhalve vernietigd.


Auteurs:  Els Gypen
              Gitte Laenen

 

Meer info?

Contacteer Gitte LAENEN
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be