Nieuwe gemeentebelasting: de “Promotaks”

Nieuwe gemeentebelasting: de “Promotaks”

Sommige gemeentebesturen maken in het kader van hun lokaal beleid gebruik van een promotaks om hun detailhandelszaken te ondersteunen. Dit houdt in dat gemeenten een taks opleggen aan handelszaken binnen de gemeente die er vervolgens bepaalde kernverstrekkende inspanningen voor in de plaats krijgen. In de meeste gevallen wordt de uiteindelijke bestedingsbeslissing genomen door het centrummanagement of een handelsvereniging.

Omschrijving van het promotaks-beleid

De promotaks of voluit de belasting op de voor het publiek toegankelijke ruimten van commerciële vestigingen gelegen in het centrum van een stad is gebaseerd op het Angelsaksische concept van business improvement district (BID). Dit is een publiek-private samenwerking waarbij handelszaken binnen een afgelijnd gebied een aanvullende belasting betalen om zo de handelsomgeving te verbeteren en de promotie van de plaatselijke handelszaken te stimuleren.

De diensten verstrekt door de BID's zijn supplementair op de diensten reeds voorzien door de stad.

Alle handelszaken moeten dan de gevraagde belasting of bijdrage betalen, zelfs al zijn zij tegen het concept. Hierdoor wordt het 'freerider' probleem fundamenteel verholpen waarbij sommigen wel en anderen dan weer niet zouden betalen. Het bestuur van een BID is de verantwoordelijkheid van een Raad van Bestuur samengesteld in een combinatie van handelaarsverenigingen en vertegenwoordigers van het Stadsbestuur en eventueel andere belangengroepen.

Voorwaarden in het kader van het promotaks-beleid

Er zijn enkele voorwaarden waaraan moet worden voldaan om een doordacht en gedragen promotaks-beleid te voeren, met name:

Zowel de afbakening van het gebied, de opmaak van de nieuwe belasting als de principes rond de besteding ervan worden op voorhand met de handelaars grondig doorgepraat en krijgen uiteindelijk ook de goedkeuring van een ruime meerderheid van handelaars die zich in dit afgebakend gebied bevinden;

Deze bijhorende belasting moet economisch verantwoord en rechtvaardig zijn. Bovendien vervangt deze nieuwe belasting best een aantal bestaande belastingen op handelszaken;

De middelen die gegenereerd worden uit die belasting moeten volledig worden ingezet voor de versterking van het winkelcentrumgebied;

De handelaars moeten in verhouding tot de vertegenwoordigers van het stadsbestuur een evenwichtige en evenwaardige stem hebben in de besteding van de middelen;

Ondernemers die zich in het afgebakend gebied bevinden, maar geen baat hebben bij deze belasting, zoals vrije beroepen, worden vrijgesteld van deze belasting.


Enkele voor-en nadelen in het kader van de operationalisering van de promotaks

Er zijn enkele voor-en nadelen verbonden aan het systeem waarbij de overheid via een heffing op de handelaars voorziet in middelen om een kernversterkend detailhandelsbeleid te voeren via de handelsverenigingen.

Voordelen:

De BID-vereniging heeft middelen om zijn acties te financieren;

Iedereen legt bij, dus geen freeriders;

Er ontstaat een zakelijke relatie tussen vereniging en gemeente;

Alle handelaars zijn betrokken waardoor de vereniging een sterkere politieke positie krijgt.


Nadelen:

Nieuwe lokale belasting / heffing;

Mogelijkerwijze wantrouwen van de handelaars dat de opgehoeste middelen in een 'algemene pot' verdwijnen...;

Door de verplichting van de heffing zullen niet alle betalende handelaars achter de inzet van de vereniging staan; het draagvlak moet daarom grondig afgetoetst worden.


Beleidsmatige en juridische vragen in het kader van de operationalisering van de promotaks

Verder zijn er ook enkele beleidsmatige en juridische vragen die men zich moet stellen in het kader van de operationalisering van de promotaks:

     - Bepalen van de doelgroep;
     - Hoogte van de heffing en heffingsgrondslag.
     - Afbakening van het gebied;
     - Hoe de zeggenschap over de aanwending van de middelen organiseren;
     - Hoe de dagelijkse leiding organiseren;
     - Welke bijdrage wordt door de gemeente geleverd.


1) Bepalen van de doelgroep en heffingsplichtigen


a) Gebruikers en/of eigenaars?

In de literatuur wordt het onderscheid gemaakt tussen 'property-based' (eigenaars) en 'business-based' (gebruikers) heffingen. De keuze voor één van deze twee systemen is onder andere afhankelijk van het doel van de BID. Het doelpubliek zal bijvoorbeeld verschillend zijn wanneer een waardestijging van de panden wordt beoogd door ingrepen in het openbaar domein of financiële steun voor gevelrenovatie dan wanneer promotie wordt gevoerd voor de handelskern om de consumentstroom te vergroten of beter te organiseren.

De lokale overheid kan in het belastingreglement zelf kiezen welke doelgroep zij opneemt. De doelgroep voor de heffing moet evenwel objectief worden afgebakend. De verantwoording voor de keuze van een bepaalde groep moet worden gegeven op basis van het doel en de gevolgen van de heffing.


b) Enkel handelaars/handelspanden of ook andere commerciële activiteiten en vrije beroepen

Een tweede beslissing die door de gemeente moet worden genomen is welke eigenaars en/of huurders worden belast. Deze vraag sluit heel nauw aan bij de vraagstelling van de doelgroep van de acties die zullen worden ondernomen. Er moet nauwgezet worden onderzocht welke groepen baat zullen hebben bij de resultaten die de vereniging voor ogen heeft. Hiervoor geldt dezelfde regeling als voor de keuze voor het belasten van de eigenaar of de gebruiker, namelijk dat de gemeente hierover kan beslissen op voorwaarde dat de keuze objectief kan worden gemotiveerd.

Een voorbeeld van de afbakening van een doelgroep kan worden teruggevonden in het belastingreglement 'belasting op de voor het publiek toegankelijke ruimten van commerciële vestigingen in het centrum van Kortrijk' die werd opgesteld in functie van het BID Centrum Kortrijk.

“Gelet op het feit dat het redelijk is, de (rechts)personen die in de eerste plaats voordeel halen uit de initiatieven die de Stad Kortrijk neemt in verband met handelsondersteunende projecten in het stadscentrum, te belasten;”

“Gelet op het feit dat de beoefenaars van een vrij beroep en niet-commerciële dienstverstrekkers (overheidsdiensten, onderwijsinstellingen, gezondheids-en welzijnszorg, culturele en toeristische instellingen) niet betrokken worden bij en geen voordeel halen uit de specifieke acties voor het verstrekken van de commerciële activiteit van het handelscentrum; dat zij ook niet de doelgroep zijn omdat hun beroep er niet in bestaat de consument in het handelscentrum te bereiken;”

“De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die op 1 januari van het dienstjaar de commerciële vestiging, binnen de gebiedsomschrijving van het centrum, uitbaat. Onder commerciële vestiging dient te worden verstaan: handelszaken (klein-en groothandel), commerciële dienstverstrekkers (financiële en zakelijke diensten), ambachten en horecazaken.

De belasting is niet verschuldigd:
- wanneer de natuurlijke of de rechtspersoon gedurende het dienstjaar slechts dertig dagen of minder heeft kunnen uitbaten;
     - door de beoefenaars van vrije beroepen;
     - door niet-commerciële dienstverleners.”

c) Heffingsgrond en heffingsbedrag

     (i) Heffingsgrond

Bij het opstellen van het belastingreglement moet uiteraard ook worden beslist op basis van welke indicatoren het bedrag van de heffing zal worden bepaald. Ook dit moet een zo nauw mogelijke samenhang kennen met de mate waarin van het BID wordt geprofiteerd.

Mogelijke heffingsgronden zijn: gevelgrootte; oppervlakte van de commercieel toegankelijke ruimte; waarde van het pand; omzet van de commerciële activiteit; betaalde huur; soort activiteit; ligging binnen het heffingsgebied; evenredig met vroegere ledenbijdrage voor de handelaarsverenigingen; ...

Ook is het mogelijk om een variabele heffing te organiseren. Zo wordt er in Lommel een andere methode gebruikt voor de berekening van de bijdrage voor de bovenlokale en lokale handelsstraten. Als men in de bovenlokale handelsstraten zou werken met een bijdrage naar vloeroppervlakte zouden de handelaars een veel te hoge bijdrage moeten betalen. De trekkers in de hoofdstraten zijn heel noodzakelijk voor het winkelcentrum. De gemeente opteert er dan ook voor hen niet onnodig hoog te belasten.

Bij handelszaken is er vaak ook de zorg dat een deel van het pand voor een andere functie zoals wonen wordt gebruikt. Het is dan aangewezen een heffingsgrond te voorzien waarbij de belastingplichtige niet wordt belast op basis van gegevens van het gehele pand.

Voor de heffingsgrond geldt net als voor de heffingsplichtigen dat de gemeenten dit vrij kunnen beslissen, maar dat de keuze objectief moet kunnen worden gemotiveerd.


     (ii) Heffingsbedrag

Het heffingsbedrag voor de handelaars zal uiteraard afhankelijk zijn van de gekozen heffingsgrond. Zo werd in Kortrijk gekozen voor een heffing op grond van het aantal vierkante meter commerciële oppervlakte en zullen grote handelszaken dus ook een hoger bedrag verschuldigd zijn. Voor commerciële vestigingen die handel drijven in volumineuze goederen en groter zijn dan 500 m² wordt een reductie van 50 % voorzien. Wanneer dergelijke uitzonderingen op de regel worden gemaakt moet er verantwoording worden geboden voor deze belastingcategorie binnen de doelgroep en moet de omschrijving niet vatbaar zijn voor interpretatie.

Deze voorwaarde is een gevolg van de bij wet verplichte toepassing van het gelijkheidsbeginsel dat voor belastingen wordt georganiseerd in artikel 172 van de Grondwet. Dit artikel bepaalt dat er geen voorrechten en vrijstellingen op de belasting verleend kunnen worden tenzij dit in de wet is opgenomen. Iedereen die zich in dezelfde toestand bevindt, moet dus op dezelfde wijze worden belast. Als er 'ongelijkheden' opgenomen worden moeten deze overeenkomen met het doel en de aard van de belasting en moet er een objectieve en redelijke verantwoording bestaan. Die verantwoording zal dan beoordeeld worden met het doel en de gevolgen van de norm die wordt beoordeeld.


2) Afbakening van het doelgebied

Als middelen specifiek in een bepaalde zone zullen ingezet en opgehaald worden moet deze zone ondubbelzinnig beschreven kunnen worden. Er is echter geen wet die bepaalt welk soort plan de gemeenten hiervoor moeten kunnen voorleggen. Uiteraard is een verwijzing naar bepaalde studies of meetbare gegevens versterkend voor de argumentatie.

Mogelijke verwijzingen: commercieel strategisch plan van de gemeente; beschrijving handelskarakter van het gebied t.o.v. de rest van de gemeente; verbindingen binnen het gebied; passantentellingen; afbakening gebied in een sociaal-economisch onderzoek voor een project; Gemeentelijk Ruimtelijk Structuurplan;...


3) Organisatie zeggenschap over aanwending middelen

Voor het tot stand komen van een succesvolle BID is er nood aan een gevoel van urgentie en een gedeeld probleem bij de ondernemers in een gebied. De ondernemers moeten bij de beslissingen worden betrokken zodat ze beseffen dat het voor hen is en dat ze hun verantwoordelijkheid dragen. Het lijkt dus weinig zinvol om volledig vanuit de gemeente te beslissen waarvoor de middelen worden ingezet.

 

4) Organisatie van de dagelijkse leiding

De beheersstructuur waarvoor wordt gekozen bepaalt welke partijen deel uitmaken van de dagelijkse leiding van de BID. Een beslissende keuze in deze context is of de gemeente deel wil uitmaken van de BID-vereniging of dat zij dit overlaten aan de (privé)-handelaarsverenigingen die dan ook over de dagelijkse leiding beschikken.

Er zijn enkele voorwaarden die moeten worden gerespecteerd wanneer de gemeente wil deel uitmaken van de vzw. Deze mogelijkheden staan beschreven in het gemeentedecreet en verschillen afhankelijk van:

     - Verenigingen die NIET belast zijn met taken van gemeentelijk belang: art. 195 Gemeentedecreet;
     - Verenigingen die WEL belast zijn met taken van gemeentelijk belang: art. 225 Gemeentedecreet;

Het decreet gaat ervan uit dat een vermoeden bestaat dat een rechtspersoon belast is met een gemeentelijk belang als voldaan is aan één van de volgende voorwaarden:

     - Eén of meerdere organen bestaan uit meer dan de helft leden van de gemeenteraad of het College van
       Burgemeester en Schepenen of worden door die organen aangewezen;
     - De gemeente (of vertegenwoordigers) beschikken over meerderheid stemrecht in één of meer organen;
     - Als de financiële middelen van de vereniging voor meer dan de helft van het gemeentebudget komen.

Het bestuur van een BID moet representatief zijn voor het ganse district: eigenaars en ondernemers, groot en klein en ook bewoners kunnen worden opgenomen zodat ook met deze belangengroep kan worden rekening gehouden. Zij betalen echter geen bijdrage dus is het niet vanzelfsprekend dat zij ook kunnen stemmen over de voorstellen die op tafel liggen.


5) Bijdrage van de gemeente

De gemeente kan beslissen om zelf ook een bijdrage te leveren aan de BID-vereniging. Wanneer dit gebeurt moeten zij wel rekening houden met voormelde voorwaarden voor het al dan niet deel uitmaken van de vzw, BID-vereniging.

Mogelijke systemen: bijdrage evenredig aan bijdrage van de ondernemers; bijdrage afhankelijk van resultaten;... Bij de keuze van het bedrag dat aan de handelsverenigingen of andere BID-vzw wordt gegeven voor het uitvoeren van hun taken moet steeds nagedacht worden over hoe afhankelijk de vereniging wordt van deze middelen en wat daar de gevolgen van zullen zijn.


GD&A Advocaten bij diverse besturen heeft ervaring met de implementatie van een promotaks in combinatie met een VZW voor handelskernpromotie. Wij staan graag ter beschikking voor verdere info.


Auteur: Bart Engelen

Meer info?

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be