Cassatie verbiedt de contractuele uitsluiting van de “in solidum”-aansprakelijkheid van aannemer en architect in het geval van stabiliteitsbedreigende gebreken (artikel 1792 en 2270 B.W.)

Cassatie verbiedt de contractuele uitsluiting van de “in solidum”-aansprakelijkheid van aannemer en architect in het geval van stabiliteitsbedreigende gebreken (artikel 1792 en 2270 B.W.)

In de praktijk komt het vaak voor dat aannemers en - vooral - architecten de zogenaamde “in solidum”- aansprakelijkheid uitsluiten in hun contract met de bouwheer. In het Rechtskundig Weekblad van 27 december 2014 werd een arrest van het Hof van Cassatie van 5 september 2014 gepubliceerd waarin de contractsvrijheid van partijen op dit vlak aan banden werd gelegd zo het gaat over stabiliteitsbedreigende gebreken in de zin van de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek (= de tienjarige aansprakelijkheid).

Sommige bouwgebreken zijn het gevolg van een fout van de aannemer én een fout van de architect. Zo beide fouten noodzakelijk zijn om dezelfde schade te veroorzaken, betreft het samenlopende fouten. In dergelijk geval kan de bouwheer op basis van de zogenaamde “in solidum”-aansprakelijkheid zowel de aannemer als de architect, elk afzonderlijk, aanspreken in een vergoeding van de volledige schade en dus niet uitsluitend voor het eigen aandeel van de bouwpartner in kwestie.

Het Hof van Cassatie diende te onderzoeken in welke mate een architect deze “in solidum”-aansprakelijkheid rechtsgeldig kon uitsluiten zo het stabiliteitsbedreigende gebreken betreft, die dus onder het toepassingsgebied van de tienjarige aansprakelijkheid (artikel 1792 en 2270 B.W.) vallen. Volgens vaste rechtspraak van het Hof raakt deze tienjarige aansprakelijkheid de openbare orde.

In zijn conclusie bij het arrest van 5 september 2014 wees de advocaat-generaal op het bestaan van twee strekkingen:

“9. Een eerste strekking is van mening dat art. 1792 BW noch enige andere wetsbepaling uitsluit dat de architect zijn aansprakelijkheid contractueel beperkt tot de door hem veroorzaakte schade. Een beding op grond waarvan de architect, in geval van een samenlopende fout met de aannemer, enkel voor zijn aandeel in de totstandkoming van de schade vergoeding verschuldigd is, is volgens deze visie dan ook rechtsgeldig. Er kan dan ook in de overeenkomst een beding worden opgenomen dat bepaalt dat de architect niet de financiële gevolgen zal dragen van de fouten van anderen, zoals de aannemer (G. Baert, Aanneming van werk in APR, Antwerpen, Kluwer, 2001, 429; G.-L. Ballon, “Exoneratie van aansprakelijkheid in solidum tussen architect en aannemer (noot onder Brussel 12 oktober 2001), AJT 2001-02, 742; S. Beyaert, “Aansprakelijkheid van de architect” in Onroerend goed in de praktijk, IV.H.4-3; A. Verbeke en C. Meert, “Opdracht en aansprakelijkheid van de architect” in H. Vandenberghe (ed.), De professionele aansprakelijkheid, Brugge, die Keure, 2004, 279).

Deze strekking voert als argumenten aan dat deze exoneratieclausule enkel particuliere belangen betreft en aldus de openbare orde niet raakt en dat de aansprakelijkheid in solidum niet in de wet staat, maar het resultaat is van een jurisprudentiële theorie; de wilsautonomie van partijen speelt aldus ten volle (J.-P. Vergauwe, Le droit de l'architecture, Brussel, De Boeck, 1991, 195). De architect exonereert zich immers niet voor zijn wettelijke professionele aansprakelijkheid, maar beperkt enkel de mogelijkheid van in solidum-aansprakelijkheid.

10. Een tweede strekking ziet in een dergelijk beding een beperking van de aansprakelijkheid van de architect jegens de bouwheer op grond van art. 1792 BW en beschouwt een dergelijk beding dan ook als strijdig met de openbare orde.

J.-F. en L.-O. Henrotte wijzen erop dat art. 1792 BW door zijn formulering vooronderstelt dat de bouwheer aanspraak moet kunnen maken op integrale vergoeding van zijn schade, zo niet zou dit een aanmoediging kunnen vormen voor een slechte uitvoering van het werk door de aannemer die wordt vrijgesteld van een ruimere vergoedingsplicht (J.-F. Henrotte en L.-O. Henrotte, L'architecte, contraintes actuelles et statut de la profession en droit belge, Brussel, Larcier, 2013, 432-433; O. Vanden Berghe en M. Hostens, “Exoneratieclausules” in G.-L. Ballon, H. De Decker, V. Sagaert, E. Terryn, B. Tilleman en A.-L. Verbeke (eds.), Contractuele clausules, Gemeenrechtelijke clausules, II, Antwerpen, Intersentia 2013, 1339).”

Volgens de advocaat-generaal diende de tweede strekking gevolgd te worden op grond van de volgende overwegingen:

11. Ik meen dat de tweede stelling dient bijgevallen te worden; een dergelijk exoneratiebeding van de in solidum-aansprakelijkheid van de architect voor gebreken die de stabiliteit van het gebouw in het gedrang brengen, beperkt naar mijn mening wel degelijk de aansprakelijkheid van de architect, die van openbare orde is. De bouwheer kan in dit geval immers de architect slechts aanspreken voor zijn contributoir deel en niet voor het geheel. Dit heeft onder meer tot gevolg dat, bij insolvabiliteit van de aannemer, de bouwheer slechts een deel van zijn schade vergoed zal zien. Het principe van volledige vergoeding van de schade ligt nochtans besloten in de tienjarige aansprakelijkheid.

12. Uw Hof besliste in zijn arrest van 6 januari 2012 dat uit art. 4 van de Architectenwet af te leiden is dat de architect als plicht heeft om de bouwheer raad te geven en bij te staan, omdat deze door de wet verplicht wordt om op zijn medewerking een beroep te doen voor het opmaken van de bouwplannen en voor de controle op de uitvoering van het werk waarvoor een bouwvergunning nodig is. Art. 22 van het reglement op de plichtenleer schrijft voor dat de architect de bouwheer bijstaat bij de keuze van de aannemer en dat daaruit volgt dat de plicht om de bouwheer bij te staan en raad te geven de architect met name verplicht om zijn opdrachtgever in te lichten nopens de reglementering betreffende de toegang tot het beroep en de gevolgen die daaruit kunnen voortvloeien. Uw Hof besliste tevens dat die bepalingen van openbare orde zijn en dat daaraan geen afbreuk kan worden gedaan door bijzondere overeenkomsten (Cass. 6 januari 2012, Arr.Cass. 2012, 46, TBBR 2012, 267, noot L.-O. Henrotte en S. Van Der Mersch).

13. Naar analogie met deze leer, die elk contractueel beding van uitsluiting of beperking van aansprakelijkheid van de architect verbonden aan zijn plicht tot raadgeving verbiedt, meen ik dat ook exoneratieclausules die de aansprakelijkheid van de architect wegens gebreken die de stabiliteit van het gebouw in het gedrag brengen, niet geoorloofd zijn, omdat die aansprakelijkheid van openbare orde is en aldus contractueel niet beperkt kan worden. Deze tienjarige aansprakelijkheid strekt er overigens niet enkel toe de bouwheer te beschermen, maar ook de openbare veiligheid te dienen (Cass. 11 april 1986, Arr.Cass. 1985-86, 1088).

14. Wanneer de architect zijn in solidum-gehoudenheid contractueel uitsluit, beperkt hij naar mijn mening op indirecte wijze zijn aansprakelijkheid, die van openbare orde is, omdat hij, zonder die contractuele beperking, ertoe gehouden is de bouwheer, die zelf geen fout heeft begaan en een rechtstreekse eigen schade lijdt, hiervoor volledig te vergoeden. Een dergelijke contractuele beperking van de tienjarige aansprakelijkheid lijkt mij aldus niet geoorloofd te zijn.”

Het Hof volgde de conclusie van de advocaat-generaal en oordeelde in het arrest van 5 september 2014:

1. Art. 1792 BW bepaalt dat indien een gebouw dat tegen vaste prijs is opgericht, geheel of gedeeltelijk tenietgaat door een gebrek in de bouw, zelfs door de ongeschiktheid van de grond, de architect en de aannemer daarvoor gedurende tien jaren aansprakelijk zijn.

De tienjarige aansprakelijkheid van de architect die uit deze wetsbepaling voortvloeit, is van openbare orde en kan mitsdien contractueel niet worden uitgesloten of beperkt.

Het beding op grond waarvan de architect, in geval van een samenlopende fout met die van de aannemer, enkel voor zijn aandeel in de totstandkoming van de schade vergoeding verschuldigd is aan de bouwheer, houdt een beperking in van de aansprakelijkheid van de architect jegens de bouwheer op grond van art. 1792 BW en is in zoverre strijdig met de openbare orde.”

Hiermee gaat het Hof van Cassatie in tegen de meerderheidsrechtspraak van de feitenrechters, die zich tot op heden vooral achter de eerste strekking schaarden.

Dit principe-arrest speelt in het voordeel van de bouwheer zo deze bij stabiliteitsbedreigende gebreken ten gevolge van samenlopende fouten van aannemer en architect geconfronteerd wordt met een insolvabele partij. Gelet op de verplichte verzekering beroepsaansprakelijkheid voor architecten vrijwaart het vooral een nuttige bijkomende garantie in het geval van een insolvabele aannemer.

Auteur: David Van Valckenborgh

Meer info?

Contacteer Gitte LAENEN
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be