Intergemeentelijke samenwerking en vennootschapsbelasting

Intergemeentelijke samenwerking en vennootschapsbelasting

De Programmawet van 19 december 2014 heeft belangrijke gevolgen voor de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden. Voorheen voorzag artikel 180, 1° WIB 92 in een uitdrukkelijke uitsluiting van de vennootschapsbelasting. Bijgevolg vielen intergemeentelijke samenwerkingsverbanden per definitie onder de rechtspersonenbelasting. Dit automatisme vervalt nu. Daarnaast baart ook de concrete overstap van rechtspersonenbelasting naar vennootschapsbelasting de nodige zorgen.

Vervalt de vrijstelling?

De recente wijziging heeft tot gevolg dat de toepassing van rechtswege van de rechtspersonenbelasting vervalt. Dit betekent echter niet dat de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden per definitie onder de vennootschapsbelasting zullen vallen. Ze blijven mogelijks aan de rechtspersonenbelasting onderworpen. De beoordeling moet individueel worden gemaakt.

Om aan de vennootschapsbelasting onderworpen te zijn, moet een vennootschap, die regelmatig is opgericht en die rechtspersoonlijkheid bezit, bovendien een onderneming exploiteren of zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard (Com.IB. 179/9).

Onder de uitdrukking "een onderneming exploiteren" moet worden verstaan een "nijverheids-, handels- of landbouwonderneming exploiteren" waarvan de winst een als dusdanig aan de personenbelasting onderworpen beroepsinkomen zou vormen indien die onderneming werd gevoerd door een natuurlijke persoon of door een vennootschap, vereniging, enz., zonder rechtspersoonlijkheid. (Com.IB. 179/10)

De uitdrukking "zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard" dekt een dubbele lading:

1° de "winstgevende bezigheden”, die de rechtspraak uitlegt als betekenend "bezigheden met winstoogmerken";
 
2° de "bezigheden van winstgevende aard, maar zonder winstoogmerken", gekenmerkt door een voortdurende beroepswerkzaamheid, bestaande uit ofwel verrichtingen van nijverheids-, handels- of landbouwkundige aard die zo vaak worden herhaald dat ze een "bezigheid" vormen ofwel de aanwending van nijverheids- of handelsmethoden.

In sub 2° gaat het dus om bezigheden die uiteraard normaal winsten of baten afwerpen, zelfs indien de rechtspersoon die zich eraan wijdt, volgens zijn statuten of in feite, geen winst nastreeft (Com.IB. 179/11)

Voor elk intergemeentelijk samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid, dus niet voor de interlokale verenigingen, zal een individuele beoordeling moeten worden gemaakt. Deze beoordeling kan voorafgaand met de fiscus worden afgetoetst.

Reserves uit het verleden

Voor de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die toch de overstap dienen te maken van rechtspersonenbelasting naar vennootschapsbelasting voorziet de Programmatwet in een overgangsregeling.

Wanneer een VZW de overstap naar de vennootschapsbelasting moet maken, worden de tot op dat ogenblik opgebouwde reserves gebruikelijk als “belaste” reserves behandeld, zodat ze de facto niet meer aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen.

De regeling voor intergemeentelijke samenwerkingsverbanden wijkt hier evenwel van af en voorziet een strenger regime. De in het verleden opgebouwde reserves blijven slechts vrijgesteld zolang ze aan de zogenaamde “onaantastbaarheidsvoorwaarde” voldoen. Deze reserves blijven slechts tijdelijk onbelast zolang ze op een afzonderlijke rekening op het passief geboekt zijn. Van zodra ze worden uitgekeerd of wanneer de vereniging wordt ontbonden, worden ze in principe wel belast.

De wetgever heeft zich geïnspireerd op de overgangsregeling naar de vennootschapsbelasting die destijds specifiek voor BXS (later Euronext), de Nationale Loterij en bpost werd voorzien. Daar bestond het risico dat onbelaste reserves belastingvrij zouden terecht komen bij private aandeelhouders. Sinds de uitstap van private partners uit de distributienetbeheerders lijkt dit o.i. evenwel geen relevant risico bij intergemeentelijke samenwerkingsverbanden.

De minister van Financiën heeft bij de bespreking in de Kamercommissie verklaard dat de opgebouwde reserves, die in het verleden aan de rechtspersonenbelasting werden onderworpen, niet opnieuw in de vennootschapsbelasting zullen worden belast. Het is positief dat de minister dubbele belasting wenst te vermijden, doch de Programmawet zelf voorziet niet in een dergelijke vermijding van dubbele belasting.

Daarnaast heeft de minister van Financiën in de Kamercommissie ook aangekondigd dat intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, die zijn opgericht onder de vorm van een handelsvennootschap en enkel om die reden aan de vennootschapsbelasting zouden worden onderworpen, de nodige tijd zouden krijgen om zich aan de passen aan een niet-commerciële rechtsvorm. Ook deze aankondiging zal niet evident kunnen worden geïmplementeerd vermits het Decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking slechts voorziet in een limitatief aantal sui generis-figuren (interlokale vereniging, projectvereniging, dienstverlenende vereniging en opdrachthoudende vereniging) welke geenszins de vorm van een handelsvennootschap hebben. De suppletieve verwijzing naar sommige bepalingen uit het Wetboek van vennootschappen maakt  o.i. van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden geen handelsvennootschappen.

Hieruit durven wij afleiden dat een verfijning van de wetgeving nog in het verschiet ligt.

Vraagtekens

De steden en gemeenten, die samenwerken in de schoot van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, plaatsen een aantal vraagtekens bij de wijzigingen die de Programmawet aan het fiscaal statuut van de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden heeft aangebracht. Enerzijds zijn er bezwaren tegen de onderwerping aan de vennootschapsbelasting op zich, anderzijds zijn er bezwaren tegen de strenge overgangsregeling.

Wanneer twee of meer gemeenten besluiten om hun diensten efficiënter te organiseren en om samen te werken zou de toepassing van de vennootschapsbelasting deze efficiëntiewinsten kunnen teniet doen. De onderwerping aan de vennootschapsbelasting kan bovendien de opbouw van reserves vertragen doordat een gedeelte door de fiscus wordt afgeroomd, waardoor het investeringsritme dreigt te worden afgeremd en vooropgestelde doelstellingen niet kunnen worden behaald. Daarentegen zullen intergemeentelijke samenwerkingsverbanden gemakkelijker beroep doen op leningen vermits intresten fiscaal aftrekbaar zijn. Dit kan leiden tot een hogere overheidsschuld en grotere risico's voor de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden en hun aandeelhouders.

Tal van andere rechtspersonen met een publieke opdracht blijven vooralsnog buiten schot en blijven aan de rechtspersonenbelasting onderworpen. Het onderscheid dat wordt gemaakt met de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden lijkt dan ook mogelijks discriminerend.

De strenge overgangsregeling, die tot een belasting van de in het verleden opgebouwde reserves kan leiden, zou het de steden en gemeenten moeilijk kunnen maken om in 2019 een fiscaal neutrale keuze te maken om al dan niet de samenwerking te verlengen. Een uittreding zou immers een fiscaal prijskaartje kunnen hebben.

De door het samenwerkingsverband in het verleden geboekte verliezen mogen niet in mindering worden gebracht van de belastbare grondslag van aanslagjaren voor dewelke het samenwerkingsverband aan de vennootschapsbelasting is onderworpen. Deze beperking kan risico's inhouden voor relatief jonge samenwerkingsverbanden.

Optimalisatie

Vermits de nieuwe regeling pas in werking treedt vanaf aanslagjaar 2015 en van toepassing is op de boekjaren die ten vroegste op 1 juli 2015 worden afgesloten, zouden de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met reserves op hun balans kunnen nagaan of het zinvol is om deze aan hun aandeelhouders uit te keren, die ze op hun beurt opnieuw inbrengen in het kapitaal van de vereniging. Een gelijkaardige werkwijze werd immers toegestaan bij de overgang naar het nieuwe belastingregime op de liquidatieboni.

Zowel de beoordeling van het toekomstige fiscale regime (blijvend rechtspersonenbelasting of overstap naar vennootschapsbelasting) als de structurering en optimalisering van een eventuele overstap vereisen een deskundige benadering. GD&A Advocaten en onze partner Q&A Advisors Public Sector staan tot uw beschikking voor verdere toelichting.

Auteur: Steven Michiels en Bart Engelen

Meer info?

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be