Btw-vrijstelling bij exclusieve dienstverlening in het gedrang?

Btw-vrijstelling bij exclusieve dienstverlening in het gedrang?

In de praktijk rekenen dienstverlenende verenigingen aan de deelnemende steden en gemeenten vaak geen btw aan, wanneer die gemeenten exclusiviteit verlenen aan de vereniging. De minister van Financiën werd hierover bevraagd in een recente parlementaire vraag. De minister bevestigt enerzijds dat het verlenen van exclusiviteit zonder beheersoverdracht geen btw-vrijstelling verleent, maar belooft de problematiek verder te onderzoeken.

Vervalt de vrijstelling?

De administratieve Beslissing nr. E.T.111.703 van 6 september 2006 aangaande intergemeentelijke samenwerkingsverbanden in het Vlaams Gewest, bepaalt dat een dienstverlenende vereniging inzake btw moet worden aangemerkt als een gewone belastingplichtige bedoeld in artikel 4 van het btw-wetboek.

In de praktijk blijkt evenwel dat de dienstverlenende verenigingen vaak in een overeenkomst met hun vennoten wederzijdse exclusiviteit verlenen en dit op basis van een kosten- en expertisedelend principe.

Deze dienstverlenende verenigingen verstaan onder wederzijdse exclusiviteit dat de omschreven exclusieve diensten enkel verstrekt worden aan de deelnemers die daarvoor exclusiviteit hebben verleend, terwijl deze deelnemers voor de diensten waarvoor exclusiviteit werd verleend, uitsluitend een beroep doen op de dienstverlenende vereniging, voor zover zij deze activiteiten niet in eigen beheer wensen uit te voeren.

Op basis van deze wederzijdse exclusiviteit rekenen de dienstverlenende verenigingen geen btw aan op hun diensten aan hun vennoten, terwijl wel btw wordt aangerekend aan vennoten waarmee geen exclusieve dienstverlening werd overeen gekomen. Het gaat daarbij vaak om diensten die ook op de private markt kunnen worden betrokken zoals diensten van architecten, juristen, stedenbouwkundigen, enzovoort.

Nochtans bepaalt de administratieve Beslissing nr. E.T.111.703 van 6 september 2006 dat het principe van de exclusieve dienstverlening, waarbij gemeenten opteren om bepaalde diensten exclusief af te nemen bij het samenwerkingsverband, niet kan worden aangemerkt als of gelijkgesteld met beheersoverdracht.

De dienstverlenende verenigingen baseren zich wellicht op de zogenaamde “emanatietheorie”, die werd toegepast op de intercommunales uit de Wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales. Deze Intercommunalewet kende evenwel niet het onderscheid tussen dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen, dat sinds het Decreet 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking in het Vlaams Gewest wordt gemaakt.

Aan de minister werd gevraagd of deze werkwijze in overeenstemming is met de administratieve Beslissing nr. E.T.111.703 van 6 september 2006 en of het correct is dat dienstverlenende verenigingen in het kader van wederzijdse exclusiviteit geen btw aanrekenen op de vergoeding voor hun diensten.

Exclusieve dienstverlening

De minister van Financiën maakt in zijn antwoord een onderscheid tussen dienstverlenende en opdrachthoudende verenigingen en verwijst daarbij naar de beslissing nr. E.T. 111.703 van 6 september 2006, die het btw-statuut van dergelijke samenwerkingsverbanden behandelt.

Opdrachthoudende verenigingen, zijnde intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met rechtspersoonlijkheid en met beheersoverdracht, worden geacht te handelen voor rekening en in de plaats van de deelnemende gemeenten. Dergelijke verenigingen hebben in principe niet de hoedanigheid van een btw-belastingplichtige zodat de handelingen die ze verrichten buiten het werkingssfeer van de btw vallen.

Een dienstverlenende vereniging is een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid maar zonder beheersoverdracht. Inzake btw wordt een dergelijke vereniging aangemerkt als een gewone belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het btw-wetboek, waarop de bepalingen van het btw-wetboek en de in uitvoering daarvan genomen besluiten van toepassing zijn.

De minister beklemtoont dat het bestaan van beheersoverdracht uit de statuten moet blijken en dat het principe van de exclusieve dienstverlening, waarvan sprake in de beslissing nr. E.T. 111.703, niet kan worden aangemerkt als -of gelijkgesteld zijn met- een beheersoverdracht.
 
De minister besluit zijn antwoord met de mededeling dat zijn administratie zal onderzoeken of de dienstverlenende verenigingen die geen btw heffen over de diensten die ze verstrekken aan de deelnemende steden en/of gemeenten zich daarbij kunnen beroepen op een bepaling van het btw-wetboek. Indien evenwel zou blijken dat ze ten onrechte geen btw heffen over betreffende diensten zal volgens de minister van Financiën de administratie de nodige maatregelen treffen.

De bestaande praktijk van de “wederzijdse exclusiviteit met btw-vrijstelling” lijkt dus op de helling komen te staan wanneer geen andere vrijstellingsgrond in het btw-wetboek kan worden gevonden.

Kostendelende vereniging?

Een mogelijk uitweg voor de dienstverlenende verenigingen zou kunnen bestaan in de toepassing van de figuur van de kostendelende vereniging als bedoeld in artikel 44, §2, 1°bis van het btw-wetboek. Diverse randvoorwaarden moeten evenwel worden vervuld indien men deze vrijstelling wenst te implementeren.

De diensteverlenende verenigingen en hun gemeenten-vennoten hebben wellicht vragen bij dit nieuwe gegeven. GD&A Advocaten en onze partner Q&A Advisors Public Sector staan tot uw beschikking voor verdere toelichting.

Auteur: Steven Michiels, Claudine Van derheyden en Andrej Kurliuk

Meer info?

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be