De permanente omgevingsvergunning: permanente evaluatiestress?

De permanente omgevingsvergunning: permanente evaluatiestress?

Van zodra de omgevingsvergunning haar ingang zal vinden, zullen ingedeelde inrichtingen door de overheid kunnen worden geëvalueerd, dit ter compensatie van het wegvallen van de 'hernieuwing van de milieuvergunning'. Er zullen specifieke en integrale evaluaties zijn die de mogelijkheid bieden om de 'milieu'voorwaarden bij te stellen.

De specifieke (zgn. 'ad hoc') evaluaties kunnen worden georganiseerd als gevolg van ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken en plannen en programma's die de Vlaamse Regering ter bescherming van mens en milieu heeft goedgekeurd. Een integrale periodieke evaluatie geldt voor de zogenaamde GPBV-installaties die ook de grootste milieurisico's met zich meebrengen.

Voordeel van de voormelde evaluaties van ingedeelde inrichtingen is dat, niettegenstaande de omgevingsvergunning een permanent karakter heeft, aangepaste BBT of versterkte milieunormen (in de door de Vlaamse Regering vastgestelde programma's en actieplannen ter bescherming van de mens en het milieu) op deze manier sneller in praktijk kunnen worden gebracht.

Daarentegen zal het wel een grote werklast betekenen voor de overheid. Door de evaluaties verschuift immers een deel van de administratieve lasten van de bedrijven naar de overheid.

Evaluatie en handhaving van de voorwaarden van de omgevingsvergunning zullen in de praktijk op elkaar gaan gelijken, maar hebben een verschillende finaliteit: handhaving gaat na of de voorwaarden worden nageleefd, evaluatie gaat na of de (nageleefde) voorwaarden al dan niet aangepast dienen te worden.

Het Omgevingsvergunningsdecreet (nog niet in werking) voorziet dat de evaluaties planmatig zullen aangepakt worden via evaluatieprogramma's die worden uitgevoerd op basis van meerjarenprogramma's.

De meerjarenprogramma's worden vastgesteld door de afdeling Milieuvergunningen als de deputatie of de Vlaamse Regering de vergunningverlenende overheid is, en door het college van burgemeester en schepenen als de gemeente de vergunningverlenende overheid is.

De vertaling van plannen en programma's naar de evaluatie van individuele inrichtingen en activiteiten zal de nodige aandacht vergen, waarbij een evenwicht zal dienen te worden gezocht tussen evaluatie enerzijds en het garanderen van de beoogde rechtszekerheid aan bedrijven anderzijds.

De evaluatie zal worden uitgevoerd door de gemeentedienst voor projecten waarvoor het  college van burgemeester en schepenen bevoegd is. Externen kunnen de gemeente daarbij ondersteuning bieden. De provinciale omgevingsvergunningscommissie (POVC) kan advies geven over klasse 2a-inrichtingen.

Opmerkelijk is dat de POVC zelf bevoegd is voor de evaluatie van projecten waarvoor de provincie bevoegd is en de GOVC voor projecten waarvoor de Vlaamse Regering of de omgevingsambtenaar bevoegd is, daar waar de evaluaties op gemeentelijk niveau worden uitgevoerd door een gemeentelijk ambtenaar.

Het voorontwerpbesluit van de Vlaamse Regering zoals principieel goedgekeurd dd. 19 december 2014 en strekkende tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning geeft reeds verdere invulling aan het evaluatie-principe, waarbij met name aandacht wordt besteed aan de planmatige omkadering. De gemeenten blijken hierbij over een zeer grote mate van autonomie te beschikken bij het opstellen van hun meerjarenprogramma.

Wat de evaluatie verder exact dient in te houden is heden nog onduidelijk. Dit terwijl het een van de cruciale elementen zal uitmaken in de opvolging van de omgevingsvergunning en de actualisering van de geldende voorwaarden.

In elk geval weer meer werk op de plank voor lokale besturen.

Auteur: Karin LIECKENS

Meer info?

Contacteer Tom SWERTS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be

Contacteer Karin LIECKENS
Advocaat
Tel 015/40.49.40 of karin.lieckens@gdena-advocaten.be