Formele motiveringsverplichting dwingt bestuur tot concrete en uitdrukkelijke prijsverantwoording.

Formele motiveringsverplichting dwingt bestuur tot concrete en uitdrukkelijke prijsverantwoording.

Met een arrest van 16 december 2014 oordeelt de Raad opnieuw dat de aanbestedende overheid zich in concreto moet uitspreken over de prijsverantwoording. Op élk element dat in de prijsverantwoording is opgenomen, dient zij te antwoorden. De aanbestedende overheid die zich niet concreet en uitdrukkelijk uitspreekt over die elementen die een inschrijver aanhaalt bij zijn prijsverantwoording, schendt de formele motiveringsverplichting. Zo blijkt stilaan een vaste rechtspraak in de maak...

Ingevolge paragraaf 1 van het artikel 21 KB Plaatsing geldt er een plicht tot het voeren van een prijsonderzoek bij de beoordeling van offertes door de aanbestedende overheid. De inschrijver moet aan het onderzoek meewerken. Indien de overheid een abnormale lage of hoge prijs vaststelt, vraagt ze de inschrijver om de nodige verantwoording.

 Inzake de beoordeling van de door de inschrijver gegeven prijsverantwoording, bepaalt artikel 21 §3 lid 5 van het KB Plaatsing het volgende:

“De aanbestedende overheid onderzoekt de ontvangen verantwoording en herbevraagt indien nodig de inschrijver.”

Hier geldt in principe dat er een ruime discretionaire bevoegdheid toekomt aan het bestuur. De Raad van State heeft dus slechts een marginale toetsing, enkel de manifeste beoordelingsfout wordt gesanctioneerd.

De inschrijver die een verzoek om verantwoording van zijn prijzen ontvangt, moet weten dat dit een ernstige aangelegenheid betreft en dient zich ervan bewust te zijn dat hij zijn prijzen concreet, gedetailleerd en onderbouwd dient te verantwoorden.

De beslissing van de aanbestedende overheid om de prijsverantwoording te verwerpen of als voldoende te aanvaarden, dient afdoende gemotiveerd te zijn en steun te vinden in stukken die de aanbestedende overheid heeft opgesteld en op basis waarvan zij haar beslissing heeft genomen.

Zo oordeelde de Raad van State op 12 december 2013 in het arrest 225.671, NV Bouwbedrijf VMG-De Cock dat de gegeven prijsverantwoording niet met de nodige ernst en zorgvuldigheid werd onderzocht. Ter zake werd de prijsverantwoording praktisch letterlijk overgenomen zonder enige concrete duiding en evaluatie van de duidingselementen.

Wat later op 24 februari 2014 oordeelde de raad met arrest nr. 226.519 dat de motivering van de aanbestedende overheid niet afdoende was gezien deze niet concreet naar de zaak werd toegeschreven. In de gunningsbeslissing of -verslag werd immers nergens aangegeven waarop de vraag naar prijsverantwoording betrekking had, welke argumenten in de prijsverantwoording ter rechtvaardiging werden aangehaald en waarom op grond van deze argumenten het vermoeden van abnormaliteit dat aan de offerte kleefde, werd opgeheven.

Ook in onderhavig besproken arrest BVBA Aannemingen Norré-Behaegel tegen het Vlaams Gewest oordeelde de Raad opnieuw dat de aanbestedende overheid gehouden is tot een in concrete beoordeling van de prijsverantwoording.

De feiten waren als volgt:

In 2013 schreef het Vlaams Gewest via het Agentschap wegen en verkeer, afdeling Vlaams-Brabant een openbare aanbesteding uit voor een opdracht van werken genaamd “onderhoud van de autosnelwegen in de provincie Vlaams-Brabant”.

De opdracht bestaat uit twee percelen, “A-wegen West” en “A-wegen Oost”.

In het bestek wordt bepaald dat de eenheidsprijzen van de verschillende posten van de prijslijsten door de aanbestedende overheid worden opgelegd. Het geheel van de eenheidsprijzen mag bij de inschrijving vermeerderd of verminderd worden met eenzelfde aanpassingscoëfficiënt door de aannemer te bepalen.  De rangschikking van de inschrijvers zal dan gebeuren op basis van de door iedere aannemer aangeboden procentuele korting of verhoging.

De opening van de offertes vindt plaats op 6 juni 2013.

Er worden voor het eerste perceel (A-wegen West) tien offertes ingediend. De verzoekende partij stelt met -72,60% de hoogste korting voor. De tussenkomende partij stelt met -55% de vierde hoogste korting voor.

Per aangetekende brief van 12 juli 2013 vraagt de verwerende partij aan verzoekende partij om prijsverantwoording in het kader van het onderzoek naar abnormale prijzen. Aan de tussenkomende partij wordt eveneens een prijsverantwoording gevraagd.

Op 27 augustus 2014 wordt een gunningverslag opgesteld.

In het kader van het regelmatigheidsonderzoek wordt met betrekking tot de offerte van verzoekende partij gesteld dat de gegeven prijsverantwoording niet is gebaseerd op objectieve factoren. Verder wordt opgemerkt dat er in de prijsverantwoording uitsluitend verwijzingen naar eerdere opdrachten en enkel algemeenheden omtrent afschrijvingen en werken in eigen beheer worden opgenomen. Er wordt ook nog gesteld dat de prijsverantwoording geen stukken of concrete  berekeningen bevat, zodat zij om voormelde redenen dan ook niet wordt aanvaard.

Wat betreft de prijsverantwoording van de tussenkomende partij wordt enkel gesteld dat deze een gedetailleerde prijsberekening weergeeft, gebaseerd op objectieve factoren. De prijsverantwoording wordt door de aanbestedende overheid aanvaard en de opdracht wordt aan de tussenkomende partij toegewezen.

In essentie betoogt verzoekende partij in haar verzoekschrift dat de verwerende partij bij haar beoordeling van de prijsverantwoording voorbij is gegaan aan een belangrijke verantwoordingselement, nl. dat de onderhoudswerken aan de autosnelwegen in de provincie Vlaams-Brabant de facto wordt onderhouden door verzoeker aangezien zij in onder aanneming van de huidige aannemer werkt. Dit tegen prijzen volledig in lijn met de huidige inschrijving.

De Raad van State is het standpunt van verzoekende partij gevolgd: het gunningsverslag noch de gunningsbeslissing heeft expliciet en concreet aandacht besteed aan voormeld verantwoordingselement. Ten aanzien van het aangebrachte verantwoordingselement dat betrekking heeft op een concrete opdracht, namelijk onderhoud autosnelwegen Vlaams-Brabant West - opdracht die de verwerende partij al te goed lijkt te moeten kennen - en waarover de verzoekende partij stelt dat zij relevante stukken heeft bijgebracht namelijk facturen door haar opgesteld als onderaannemer, lijkt de repliek in het gunningsverslag niet pertinent noch proportioneel. De aanbestedende overheid lijkt zich dus niet concreet en expliciet te hebben uitgesproken over de waarde die zij hecht aan de verklaringen van de verzoekende partij in haar prijsverantwoording omtrent de uitvoering in onderaanneming in het verleden van perceel 1 van de voorliggende opdracht. Uit die vaststelling mag worden afgeleid dat de aanbestedende overheid het prijsonderzoek wat de offerte van de verzoekende partij betreft onzorgvuldig heeft gevoerd. In die mate lijkt er in elk geval een schending van de formele motiveringsplicht voorhanden, hetgeen volstaat om de tenuitvoerlegging van de gunningsbeslissing te schorsen.

Uit het voorgaande blijkt aldus dat de aanbestedende overheid de prijsverantwoordingen niet alleen  uiterst zorgvuldig dient te evalueren en te beoordelen, maar dat zij deze zorgvuldige beoordeling ook dient te veruitwendigen in haar gunningsbeslissing, uiteraard rekening houdende met de geheimhouding van commerciële gegevens.

Auteur:  Yasmine D'HANIS
             Stéphanie TAELEMANS

Meer info?

Contacteer Gitte LAENEN
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be