Hof van Justitie spreekt zich uit over onderscheid tussen selectie- en gunningscriteria

Hof van Justitie spreekt zich uit over onderscheid tussen selectie- en gunningscriteria

Met een arrest van 26 maart 2015 beantwoordde het Hof een prejudiciële vraag inzake de richtlijn 2004/18/EG. Aanleiding voor dit arrest betrof de uitlegging van de artikelen 44 tot en met 48 en 53 van richtlijn 2004/18EG dewelke handelen over kwalitatieve selectiecriteria en gunningscriteria.

Pas nadat de aanbestedende overheid in de door haar doorgevoerde kwalitatieve selectie de kandidaten/inschrijvers heeft uitgesloten die zich in een uitsluitingspositie bevinden of die niet over voldoende financiële, economische en technische draagkracht beschikken (en die derhalve niet in staat worden geacht om de door de aanbestedende overheid uitgeschreven overheidsopdracht tot een goed einde te brengen), dient zij de intrinsieke waarde van de ingediende offertes te beoordelen.

Dit geschiedt aan de hand van de in het bestek of eventueel in de aankondiging van de opdracht vermelde  gunningscriteria. De criteria betreffen de inhoudelijke criteria die moeten leiden tot de keuze van de meest voordelige offerte.

Het Hof van Justitie heeft in 2002 middels het arrest Concordia Bus Finland gesteld dat gunningscriteria, om rechtsgeldig te zijn, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

- Ze moeten verband houden met het voorwerp van de opdracht;
- Ze mogen de aanbestede overheid geen onvoorwaardelijke keuzevrijheid geven;
- Ze moeten uitdrukkelijk in het bestek of de aankondiging van de opdracht zijn vermeld;
- Ze moeten alle fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht, en met name het discriminatieverbod, eerbiedigen.

Algemeen wordt aldus gesteld dat selectie- en gunningscriteria strikt gescheiden moeten worden gehouden. Selectiecriteria zijn geen gunningscriteria en vice versa.

Wel oordeelde de rechtspraak reeds eerder dat het niet uit te sluiten is dat ervaring een gunningscriterium kan uitmaken, meer bepaald indien daardoor de intrinsieke kwaliteit van de offertes in het licht van de specificiteit van de opdracht kan worden aangetoond op differentiërende wijze, zoals het in een opdracht voor de aanneming van diensten het geval kan zijn. Wel dient de aanbestedende overheid zulks aan te tonen of moet zulks duidelijk blijken uit dossierstukken, zoals het bijzonder bestek (o.m. RvS, nr. 210.527 van 20 januari 2011, BVBA VAN IMPE & ASSOCIATES BEDRIJFSREVISOREN).

Indien de aanbestedende overheid de opdracht gunt aan de “economisch meest voordelige offerte”, dan gaat zij na welk offerte de beste prijs-kwaliteitverhouding biedt.

In het onderstaand besproken arrest van het Hof van Justitie komt deze prijs-kwaliteitsverhouding ook aan bod.


Feiten


Het verzoek tot prejudiciële vraag werd in casu ingediend in het kader van een geding tussen Ambisig Ambiente e Sistemas de Informação Geográfica SA (hierna: 'Ambisig') en Nersant - Associação Empresarial da Região de Santarém (hierna: 'Nersant') aangaande de beslissing van Nersant om een opdracht voor opleidings  en adviesdiensten aan Iberscal - Consultores Lda (hierna: 'Iberscal'), en bijgevolg niet aan Ambisig, te gunnen.

Nersant besliste een opdracht uit te schrijven voor opleidings- en adviesdiensten. Op 24 november 2011 maakt zij deze opdracht bekend.

Artikel 5 van de aankondiging van de opdracht bepaalde dat de opdracht zou worden gegund aan de economisch voordeligste inschrijving die zou worden vastgesteld aan de hand van de volgende criteria:

A. Beoordeling van het team: 40 %

Bij deze factor wordt rekening gehouden met de samenstelling van het team en de aangetoonde ervaring en curricula van de leden.

B. Kwaliteit en nut van de aangeboden dienst: 55 %

i) Globale beoordeling van de aangeboden structuur met inbegrip van het werkprogramma: 0 tot 20 %
ii) Beschrijving van de te gebruiken technieken en de werkmethoden: 0 tot 15 %
iii) Beschrijving van de methoden voor de beoordeling van en het toezicht op de kwaliteit van de werkzaamheden op de verschillende werkterreinen: 0 tot 20 %

C. Globale prijs: 5 %

In zijn voorafgaand verslag heeft het aanbestedingscomité de eerste plaats toegewezen aan de firma Iberscal.
Op 3 januari 2012 verzocht Ambisig om gebruik te maken van haar recht op een voorafgaande hoorzitting. Zij kwam daarbij op tegen het feit dat de betrokken aankondiging van opdracht het voor de beoordeling van de opdrachtuitvoering aangewezen team had vermeld bij de gunningscriteria.

In een supplement van 14 februari 2012 bij zijn eindverslag van 4 januari 2012 wees het aanbestedingscomité de door Ambisig aangevoerde argumenten af. Volgens het comité strekt het voormelde criterium weldegelijk tot een beoordeling “van het specifieke technische team dat de inschrijver wil inzetten bij de uit te voeren werkzaamheden” en is “[d]e ervaring van het voorgestelde technische team [...] in dit geval een intrinsiek kenmerk van de inschrijving en geen kenmerk van de inschrijver”.

Op 19 maart 2012 gingen Nersant en Iberscal over tot sluiting van de overeenkomst.

Ambisig heeft bij het Tribunal Administrativo e Fiscal de Leiria (administratieve en fiscale rechtbank te Leiria) beroep ingesteld, strekkende tot vernietiging van het besluit van 14 februari 2012 waarbij de litigieuze opdracht voor diensten aan Iberscal werd gegund. In deze procedure heeft Ambisig eveneens verzocht dat het beroep zou worden uitgebreid tot de vernietiging van de op 19 maart 2012 gesloten dienstverleningsovereenkomst.

Het Tribunal Administrativo e Fiscal de Leiria heeft het beroep in zijn geheel verworpen, waarop Ambisig hoger beroep instelde bij het Tribunal Central Administrativo Sul (centrale administratieve rechtbank van Zuid-Portugal).

De appelrechter heeft de beslissing van de rechterlijke instantie in eerste aanleg bevestigd.

Hiertegen werd door Ambisig cassatieberoep ingesteld bij het Supremo Tribunal Administrativo (administratief hooggerechtshof), waarin zij in wezen aanvoerde dat de factor die was vermeld in artikel 5, punt A, van de litigieuze aankondiging van de opdracht niet verenigbaar was met artikel 75, lid 1, CCP.

In haar verwijzingsbeslissing heeft het Supremo Tribunal Administrativo geconstateerd dat de rechtsvraag die moet worden beantwoord daarin bestaat of elementen zoals die van artikel 5, punt A, van de litigieuze aankondiging van opdracht rechtens deel mogen uitmaken van de gunningscriteria in de zin van artikel 53 van richtlijn 2004/18 in gunningsprocedures voor de verwerving van opleidings- en adviesdiensten.

In dit verband wees het Supremo Tribunal Administrativo erop dat de Europese Commissie een voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten [COM(2011) 896 definitief] heeft ingediend, hetgeen een nieuwigheid is ten opzicht van de rechtspraak van het Hof op dit gebied.
Daarop heeft de verwijzende rechter de behandeling van de zaak geschorst en het Hof van Justitie verzocht om arrest te vellen over de volgende prejudiciële vraag:

“Is het verenigbaar met richtlijn 2004/18 [...] dat voor het plaatsen van een opdracht voor intellectuele diensten van opleiding en adviesverlening bij de elementen inzake de gunning van een overheidsopdracht wordt voorzien in een factor die strekt tot beoordeling van de teams die de inschrijvers specifiek voorstellen voor de uitvoering van de opdracht, waarbij rekening wordt gehouden met de samenstelling, de aangetoonde ervaring en de curricula van de leden van die teams?”


Beoordeling door het Hof van Justitie

Het verzoek betrof in wezen de vraag of artikel 53, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/18 eraan in de weg staat dat de aanbestedende dienst voor het plaatsen van een opdracht voor intellectuele diensten voorziet in een gunningscriterium aan de hand waarvan een beoordeling kan worden verricht van de teams die de inschrijvers specifiek voorstellen voor de uitvoering van die opdracht, waarbij dat criterium rekening houdt met de samenstelling van het team alsook met de ervaring en de curricula van de leden ervan.

Het Hof van Justitie stelt in de eerste plaats dat artikel 53, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/18 bepaalt dat de “economisch meest voordelige aanbieding” moet worden bepaald “vanuit het oogpunt van de aanbestedende dienst”. Het artikel verleent de aanbestedende dienst aldus een ruimere beoordelingsmarge.

Voorts stelt het Hof dat in de derde alinea van overweging 46 van richtlijn 2004/18 gepreciseerd wordt dat, wanneer de opdracht moet worden gegund aan de inschrijver met de economisch voordeligste inschrijving, er moet worden nagegaan welke offerte “de beste prijs-kwaliteitverhouding biedt”, waardoor binnen de criteria voor de gunning van overheidsopdrachten een groter belang wordt gehecht aan de kwaliteit.

Het Hof stelt ook vast dat de criteria aan de hand waarvan de aanbestedende overheid de economisch voordeligste aanbieding kan bepalen niet limitatief zijn opgesomd in artikel 53, lid 1 van richtlijn 2004/18.

Overeenkomstig die bepaling kunnen de aanbestedende diensten bijgevolg kiezen welke gunningscriteria zij willen toepassen - mits die keuze geen betrekking heeft op andere criteria dan die welke strekken tot bepaling van de economisch voordeligste bieding.

Te dien einde schrijft artikel 53, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/18 uitdrukkelijk voor dat de gunningscriteria verband moeten houden met het voorwerp van de opdracht.
Het Hof van Justitie stelt verder dat de kwaliteit van de uitvoering van een overheidsopdracht op doorslaggevend wijze kan afhangen van de professionele waarde van degenen die met de uitvoering ervan zijn belast. Deze waarde bestaat uit hun professionele ervaring en opleidingsniveau.

Dit is volgens het Hof zeker het geval wanneer de opdracht betrekking heeft op een intellectuele dienst, zoals in onderhavige zaak.

Immers, wanneer een dergelijke opdracht door een team moet worden uitgevoerd, zijn de bekwaamheden en de ervaring van de leden van dat team doorslaggevend bij de beoordeling van de professionele kwaliteit van dat team. Die kwaliteit kan een intrinsiek kenmerk van de offerte zijn en kan verband houden met het voorwerp van de opdracht in de zin van artikel 53, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/18.

Bijgevolg kan worden aanvaard dat die kwaliteit als gunningscriterium wordt opgenomen in de aankondiging van opdracht of in het bestek.

Het Hof van Justitie oordeelt bijgevolg dat artikel 53, lid 1, onder a), van richtlijn 2004/18 er niet aan in de weg staat dat een aanbestedende dienst, voor het plaatsen van een opdracht voor intellectuele diensten van opleiding en adviesverlening, voorziet in een criterium aan de hand waarvan een beoordeling kan worden verricht van de kwaliteit van de teams die de inschrijvers specifiek hebben voorgesteld voor de uitvoering van die opdracht, waarbij dat criterium rekening houdt met de samenstelling van het team alsook met de ervaring en de curricula van de leden ervan.

 Auteurs:  Yasmine D'HANIS
               Gitte LAENEN

Meer info?

Contacteer Gitte LAENEN
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be