De woonzorgsector opnieuw getroffen door besparingsmaatregelen van de Vlaamse Regering?

De woonzorgsector opnieuw getroffen door besparingsmaatregelen van de Vlaamse Regering?

Op 24 april 2015 kondigde Minister Jo Vandeurzen met trots aan dat Vlaanderen tegen eind 2018, maar liefst 8.413 nieuwe woongelegenheden zal realiseren. “Nooit eerder werd op zo een korte tijdspanne het aantal woongelegenheden in de ouderenzorg met zo een grote capaciteit uitgebreid. Op die manier gaat Vlaanderen één van de grootste uitdagingen van deze tijd aan: de vergrijzing”, zegt minister Vandeurzen.

De Minister vergeet hierbij echter mede te delen dat vanuit de verschillende woonzorgcentra iets meer dan 11.000 aanvragen zijn ingediend. Een deel van de aanvragen zal met andere woorden niet gehonoreerd worden en dus (nog?) geen erkenning krijgen.

De erkenningskalender woonzorgcentra

Uitgangspunten en toepassingsgebied 

Op 20 december 2013 keurde de Vlaamse Regering een nieuwe regelgeving betreffende de voorafgaande vergunning en de erkenning voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf, goed (zie onze nieuwsbrief “Regels rond de voorafgaande vergunning en de erkenning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra gewijzigd”).

De inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Regering moet er voor zorgen dat de te erkennen capaciteit aan woonzorgcentra-bedden over de verschillende jaren heen duidelijk in kaart wordt gebracht. Belangrijk hierbij is de invoering van een erkenningskalender. Teneinde de zorgfinanciering te kunnen garanderen, zullen de initiatiefnemers hun projecten in de tijd moeten spreiden.

Het insturen van een erkenningskalender is enkel van toepassing op de aanvragen voor de erkenning van bijkomende woongelegenheden in woonzorgcentra en centra voor kortverblijf. Deze regelgeving is dus niet van toepassing op de realisatie van voorafgaande vergunningen die geen impact hebben op de invulling van de programmatie, zoals de erkenningsaanvraag voor een (gedeeltelijke) vervangingsnieuwbouw of voor een tijdelijke capaciteitsvermindering.

Initiatiefnemers die hun woongelegenheden in 2015 of 2016 willen laten erkennen, dienden de erkenningskalender vóór 1 januari 2015 aan het Agentschap voor Zorg en Gezondheid mede te delen samen met de overeenkomst van de aannemer waaruit blijkt dat de te erkennen woongelegenheden tijdig in gebruik kunnen worden genomen.

Initiatiefnemers die hun woongelegenheden in 2017 willen laten erkennen, dienen de erkenningskalender in uiterlijk op 1 januari van het tweede jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de erkenning zal worden aangevraagd. Voor 2017 was deze uiterlijke datum eveneens 1 januari 2015, voor 2018 zal dit pas 1 januari 2016 zijn.

Beoordeling van de erkenningskalender


Na ontvangst van alle erkenningskalenders voor een bepaald jaar, gaat het Agentschap voor Zorg en Gezondheid voor de individuele dossiers na of de erkenning in het gevraagde trimester mogelijk is.

Overeenkomstig artikel 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013 dient zij hierbij rekening te houden met:

- de gevraagde te erkennen capaciteit;
- de gevraagde trimesters voor erkenning;
- het voor het betreffende jaar vastgelegde maximaal aantal te erkennen woongelegenheden en de voor het betreffende jaar beschikbare begrotingskredieten.

Indien de erkenning in het gevraagde trimester niet mogelijk blijkt, dient het Agentschap conform voormelde bepaling een aantal “prioriteitscriteria” toe te passen:

woongelegenheden die niet na samenvoeging voorafgaandelijk vergund zijn, genieten een hogere prioriteit dan woongelegenheden die voorafgaandelijk vergund zijn na samenvoeging, zoals bepaald in Afdeling 3 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013;

binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 1°, genieten woongelegenheden die worden aangewezen voor erkenning in een trimester dat volgt op het trimester vermeld in de ingediende erkenningskalender, een hogere prioriteit in dat trimester dan woongelegenheden waarvoor de ingediende erkenningskalender hetzelfde trimester vermeldt;

binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 2°, wordt per trimester prioriteit verleend aan woongelegenheden in zorgregio's waarin de verhouding tussen enerzijds het aantal woongelegenheden dat erkend is of waarvan de erkenningskalender al goedgekeurd is, en anderzijds de som van de programmacijfers van de gemeenten binnen de zorgregio het laagst is;

binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 3°, wordt prioriteit verleend aan woongelegenheden waarvan de geldigheidsduur van de voorafgaande vergunning eerder verstrijkt.

De niet-samengevoegde voorafgaande vergunningen moeten dus eerst worden behandeld met daarbinnen de prioriteitscriteria vermeld in de punten 2° tot en met 4°. Zo dienen binnen de niet-samengevoegde vergunningen eerst alle aanvragen behandeld te worden die worden aangewezen voor erkenning in een trimester dat volgt op het trimester vermeld in de ingediende erkenningskalender. Als die allemaal zijn behandeld, en er is nog ruimte over, komen die met de erkenningskalender in het gevraagde trimester aan de beurt, enzovoort. Pas als alle niet-samengevoegde voorafgaande vergunningen zijn behandeld en er nog ruimte over is, zullen de samengevoegde voorafgaande vergunningen aan de beurt komen. Binnen deze categorie gelden dan opnieuw de prioriteitscriteria vermeld in de punten 2° tot en met 4°.

Maximaal aantal te erkennen woongelegenheden in de Vlaamse woonzorgcentra tot eind 2018 vastgelegd op 8.413

Op 24 april 2015 besliste de Vlaamse Regering het maximaal aantal te erkennen woongelegenheden voor de jaren 2015, 2016, 2017 en 2018 vast te leggen op 8.413.

Voor 2015 gaat dit over 2.348 woongelegenheden en voor 2016 gaat het om 3.287 woongelegenheden in woonzorgcentra en centra voor kortverblijf.

Voor de jaren 2017 en 2018 wordt dit aantal - ondanks de vergrijzing waarover de Minister het heeft - verlaagd (gehalveerd) naar 1.389 woongelegenheden per jaar.

Dit betekent dat enkel voor de jaren 2015 en 2016 alle ingediende erkenningskalenders worden toegekend. Wellicht viel het moeilijk te rechtvaardigen dat woongelegenheden die reeds letterlijk in de steigers staan, niet kunnen worden geëxploiteerd na oplevering.

Voor wat betreft het jaar 2017, waarvoor de initiatiefnemers eveneens vóór 1 januari 2015 een erkenningskalender moesten indienen, is de mededeling van de Minister een pak minder gunstig. Ondanks de 5.383 aanvragen die werden ingediend, zullen er maar 1.389 woongelegenheden in 2017 een erkenning krijgen. Bovendien is het ook niet zeker of deze woongelegenheden in 2018 erkend zullen worden, aangezien het maximaal aantal te erkennen woongelegenheden voor 2018 eveneens slechts 1.389 bedraagt.

De Minister verwijst voor het vastleggen van voormelde cijfers naar een studie van het Federale Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg over de noodzakelijke groei in de woonzorgcentra. Uit deze studie blijkt dat de vergrijzing de toekomende jaren (tot 2050) alsmaar zal toenemen. Het is dan ook opmerkelijk (contradictorisch ?) dat het aantal erkenningen de toekomende jaren (alleszins tot 2019) daalt naar 1.389 per jaar ... De invoering van de erkenningskalender lijkt dan ook louter een besparingsmaatregel te zijn, dewelke geenszins overeenstemt met de maatschappelijke realiteit.

Beslissing tot toewijzing of afwijzing van de erkenningskalender

Op 29 april 2015 hebben de initiatiefnemers die een erkenning voor het jaar 2015, 2016 of 2017 hebben aangevraagd, bericht gekregen van het Agentschap voor Zorg en Gezondheid betreffende de toewijzing of afwijzing van hun erkenningskalender.

Slechts één vierde van de initiatiefnemers die een erkenning voor 2017 heeft aangevraagd, heeft een toewijzingsbeslissing ontvangen. In haar afwijzingsbeslissing verwijst het Agentschap voor Zorg en Gezondheid naar de prioriteitscriteria weergegeven in artikel 4 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013, doch op geen enkele wijze wordt de toepassing van deze criteria gemotiveerd. Het is voor de initiatiefnemers dan ook koffiedik kijken om welke reden hun erkenningskalender werd afgewezen en waarom andere initiatiefnemers een erkenningskalender toegewezen hebben gekregen.

De afgewezen initiatiefnemers kunnen tegen het afwijzingsbesluit een bezwaarschrift indienen bij het Agentschap voor Zorg en Gezondheid conform de procedure vermeld in artikel 6 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 20 december 2013.  Alvorens een beslissing te kunnen nemen zal de Minister het advies van de commissie moeten inwinnen, die daarvoor 75 kalenderdagen de tijd heeft (verlengbaar met 30 kalenderdagen). Vervolgens beschikt de Minister, na het verwerven van het advies van de Commissie, zélf ook nog eens over twee maanden om een beslissing te nemen.

Gedurende al die tijd blijft het voor de initiatiefnemers echter onduidelijk of zij hun investerings- en bouwplannen (ooit) kunnen verderzetten.

De woonzorgsector opnieuw getroffen door besparingsmaatregelen van de Vlaamse Regering?

Nadat het duidelijk werd dat het Vlaams Infrastructuurfonds voor Persoonsgebonden Aangelegenheden (VIPA) geen geld meer heeft om infrastructuur in de zorgsector te subsidiëren, hebben lokale overheden en private marktspelers - met aanmoediging van de Vlaamse Overheid - de handen in elkaar geslagen en samen inspanningen geleverd om de realisatie van bijkomende woongelegenheden de komende jaren alsnog mogelijk te maken. Er werden tal van alternatieve financieringsmogelijkheden onderzocht om tegemoet te komen aan de stijgende vergrijzingsgraad.

De investeringen en inspanningen die de laatste jaren zijn geleverd om bijkomende woongelegenheden te realiseren, blijken op heden voor sommigen echter een maat voor niets geweest. De erkenningskalender en voornamelijk de sterke vermindering van het maximum aantal te erkennen (lees: te subsidiëren) woongelegenheden in Vlaanderen, zorgt ervoor dat de woonzorgsector opnieuw getroffen wordt door een periode van onzekerheid.

De trots waarmee Vlaanderen vandaag verkondigt dat zij tegen eind 2018, 8.413 nieuwe woongelegenheden zal realiseren, staat dan ook in schril contrast met de ontgoocheling van de initiatiefnemers die op 30 april 2015 hun ambitieuze plannen ongemotiveerd in rook zagen opgaan en de mogelijke procedures die hier het gevolg van kunnen zijn ...

Auteur: Stéphanie Taelemans

Meer info?

Contacteer Stéphanie TAELEMANS
Advocaat
Tel. 015/40.49.40 of Stephanie.taelemans@gdena-advocaten.be

Contacteer Heleen VAN ASCH
Advocaat
Tel. 015/40.49.40 of heleen.vanasch@gdena-advocaten.be

Contacteer Cies GYSEN
Advocaat-vennoot
Tel. 015/40.49.40 of cies.gysen@gdena-advocaten.be