Het Grondwettelijk Hof beschouwt de « bestuurlijke lus » bij de Raad van State eveneens als ongrondwettig

Het Grondwettelijk Hof beschouwt de "bestuurlijke lus" bij de Raad van State eveneens als ongrondwettig.

Nadat het Grondwettelijk Hof de bepalingen omtrent de zogenaamde “bestuurlijke lus” bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen eerder al vernietigde (arrest nr. 74/2014 - lees hier meer over), moet ook de bestuurlijke lus die als mogelijkheid werd ingevoegd in de procedure voor de Raad van State eraan geloven.

Naar aanleiding van een aantal beroepen zoals ingesteld door verschillende vzw's (o.m. vzw Ademloos, vzw Bond Beter Leefmilieu en vzw Liga voor Mensenrechten), particulieren alsook de Orde van Vlaamse Balies, diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken omtrent het al dan niet grondwettig karakter van een aantal bepalingen van de Wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State.

De beroepen viseerden een tiental bepalingen waarmee de wetgever de werking van de Raad van State trachtte te verbeteren alsook de doeltreffendheid van de bestuurlijke geschillenbeslechting trachtte te verhogen.

Meer concreet werden de bepalingen die betrekking hebben op de bestuurlijke lus, de opschorting van de beroepstermijn in afwachting van een procedure/klacht bij de ombudsman, de wijzigingen aan de vordering tot schorsing, het mandaat ad litem van de advocaat, het verlies van belang, het belang bij het middel, de handhaving van de gevolgen van een vernietigde akte, de termijnverlening, het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding aan het Grondwettelijk Hof voorgelegd.

Het resultaat van deze toets volgde op 16 juli 2015 met het arrest nr. 103/2015.

Bestuurlijke lus opnieuw ongrondwettig

Dat de bestuurlijke lus zoals voorzien in artikel 13 van de hervormingswet van 10 januari 2014 opnieuw met succes zou worden bestreden stond in de sterren geschreven en werd eerder al voorspeld (zie onze vorige nieuwsbrief).

Met de bestuurlijke lus verkreeg de Raad van State de bevoegdheid om gedurende het geding aan de verwerende partij -lees: de overheid- voor te stellen om een gebrek in de bestreden akte/reglement te herstellen teneinde een vernietiging te vermijden.

Bedoeling was om zo tot een meer oplossingsgerichte rechtspraak te komen door de mogelijkheid te bieden om tijdens de procedure bepaalde vormgebreken recht te zetten, waarbij de wetgever onder meer dacht aan het louter ontbreken van een formele motivering of het ontbreken van een correcte ondertekening van een besluit.

Opnieuw stuit dit instrument echter op een 'njet' van het Grondwettelijk Hof, waarbij drie fundamentele problemen worden blootgelegd die eerder reeds tot de vernietiging van de bestuurlijke lus in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening leidde. Zo doet de bestuurlijke lus in eerste instantie afbreuk aan het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, aangezien de Raad van State bij het voorstellen van het toepassen van de lus zijn standpunt over de uitkomst van het geschil reeds kenbaar moet maken.

Ondanks een aantal bijsturingen en waarborgen die de wetgever voorzag naar aanleiding van de eerdere mislukte poging van de Vlaamse decreetgever, is het Grondwettelijk Hof voorts opnieuw van oordeel dat de voorziene bestuurlijke lus een afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter gezien belanghebbenden geen beroep kunnen instellen tegen de beslissing die met toepassing van de lus wordt genomen.

Tot slot leidt de toepassing van de bestuurlijke lus tot de uitholling van de uitdrukkelijke motiveringsplicht, gezien het mogelijk wordt om de motieven van de bestuurshandeling pas achteraf weer te geven terwijl het doel van de formele motiveringsplicht erin bestaat om aan de bestuurde de motieven die de beslissing verantwoorden kenbaar te maken zodat deze met kennis van zaken kan beoordelen of zij haar beroepsmogelijkheden dient uit te putten.

Op basis van deze argumenten besluit het Grondwettelijk Hof dan ook om artikel 13 van de Wet van 20 januari 2014 te vernietigen, zonder dat er noodzaak bestaat om de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven, aldus het Hof.

Overige hervormingen doorstaan toets (mits juist geïnterpreteerd)

De overige bestreden hervormingen die betrekking hebben op de opschorting van de beroepstermijn, de vernieuwde vordering tot schorsing, het mandaat ad litem, het verlies van belang, de termijnverlenging, het rolrecht en de rechtsplegingsvergoeding zijn wel grondwettig volgens het Grondwettelijk Hof.

Ook de wettelijke verankering van de rechtspraak van de Raad van State die vereist dat een verzoekende partij tevens over een belang bij het middel dient te beschikken, doorstaat de toets van het Grondwettelijk Hof. Wel verduidelijkt het Grondwettelijk Hof dat deze regeling niet zo kan worden begrepen dat een vereniging die een collectief belang nastreeft, enkel middelen zou kunnen aanvoeren waarbij de vereniging een persoonlijk belang heeft. Ook het Europese Unierecht dient daarbij te worden gerespecteerd.

Dit laatste vormt ook de interpretatie die het Hof meegeeft aangaande de gewijzigde mogelijkheid voor de Raad van State om de gevolgen van een vernietigde bepaling te handhaven. Ook hier geldt dat de gevolgen van een vernietigde bestuurshandeling wegens een schending van het Unierecht in beginsel niet kunnen worden gehandhaafd, gezien enkel het Europese Hof van Justitie hiertoe kan overgaan.

Definitief einde bestuurlijke lussen ?

De wijzigingen en vernieuwingen zoals beoogd door de Wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State doorstaan dan ook allen de toets aan de Grondwet, op de bestuurlijke lus na.

Zowel de bestuurlijke lus binnen de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen als de bestuurlijke lus bij de Raad van State werden door het Grondwettelijk Hof afgevoerd.

Vraag is thans of dit nieuwe arrest het definitieve einde betekent voor de bestuurlijke lus en de wil van de wetgever om een dergelijke herstelmogelijkheid in het leven te roepen.

Eén en ander zal mogelijks duidelijk worden nadat het Grondwettelijk Hof zich heeft kunnen uitspreken over de nieuwe versie van de bestuurlijke lus zoals deze in de startblokken staat in het nieuwe decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges. Ook tegen deze tweede poging van de Vlaamse decreetgever om een bestuurlijke lus in te voeren werd immers een beroep ingesteld bij het hoogste rechtscollege (rolnummer 6029).

Of de bestuurlijke lus nog een verder leven is beschoren, al dan niet in gematigdere vorm, zal hieruit moeten blijken.

Op dezelfde dag als het besproken arrest werd in het Belgisch Staatsblad overigens het Decreet van 3 juli 2015 tot wijziging van artikel 4.8.19 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, gepubliceerd. Hiermee voert de Vlaamse decreetgever een aantal wijzigingen voor aan haar nieuwe bestuurlijke lus, teneinde aan het vorige vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof tegemoet te komen.

De inwerkingtreding van deze nieuwe wijzigingen wordt echter nog uitgesteld naar een nader te bepalen datum. Of deze tegemoetkomingen kunnen volstaan zal wellicht opnieuw door het Grondwettelijk Hof moeten worden beoordeeld.

Wij volgen dit alvast verder voor u op.

Auteur: Jonas De Wit
 

Meer info?

Contacteer Tom SWERTS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be