Eindelijk verjaring voor inbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied?

Eindelijk verjaring voor inbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied?

In een vorige nieuwsbrief werd reeds stilgestaan bij het nieuwe decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning, en meer specifiek bij de nieuwe handhavingsmogelijkheden van de burgemeester en de stedenbouwkundige inspecteur. Bekijk de nieuwsbrief hier.

De komst van de nieuwe omgevingsvergunning en hiermee verbonden handhavingsmechanismen heeft evenwel nog meer baanbrekende wendingen in petto. Zo wordt eveneens voorzien in het depenaliseren van het instandhoudingsmisdrijf in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

De nieuwe reglementering van de omgevingsvergunning en diens handhaving werd reeds gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, maar zal pas later in werking treden, op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum.

In deze bijdrage wordt stilgestaan bij de nieuwe verjaringsregeling, en meer specifiek met betrekking tot “inbreuken” in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

De verjaringsregeling is een van de meest complexe materies van de ruimtelijke ordening. Talrijke opeenvolgende wet- en decreetswijzigingen, met bijhorende overgangsbepalingen, evenals de naast elkaar bestaande handhavingsmogelijkheden via de strafrechter en de burgerlijke rechter maken de berekening van de correcte verjaringstermijn een sisyphusarbeid.

Tot vóór het decreet van 4 juni 2003 (B.S. 22 augustus 2003), wiens interpretatie nog steeds grond gaf tot discussies, dewelke slechts met de inwerkingtreding van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening op 1 september 2009 werden uitgeklaard, was er wel een bepaalde “zekerheid” - om er de volksmondterminologie op los te laten - “stedenbouwmisdrijven verjaren niet”.

Eenvoudig gesteld bestonden er twee soorten misdrijven: het “oprichtingsmisdrijf”, zijnde een aflopend misdrijf, en het “instandhoudingsmisdrijf”, zijnde een voortdurend misdrijf. Bij de oprichting zal de verjaring van de strafvordering onmiddellijk beginnen lopen. Bij een voortdurend misdrijf zal de verjaring echter pas aanvang nemen van de dag waarop de onwettige toestand ophoudt te bestaan, meestal in de praktijk dus vanaf de datum van afbraak van het illegale gebouw. Dit maakte dat de strafvordering in principe niet kon verjaren, tot de afbraak van de onwettig opgerichte constructie.

Vanaf 22 augustus 2003, minstens vanaf 1 september 2009, was de situatie veranderd. Art. 6.1.1, derde lid VCRO, bepaalt heden: “De strafsanctie voor het instandhouden van inbreuken, vermeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3°, 6° en 7°, geldt niet voorzover de handelingen, werken, wijzigingen of het strijdige gebruik niet gelegen zijn in de ruimtelijk kwetsbare gebieden.[...]

Een herstelvordering die door de stedenbouwkundige inspecteur of het college van burgemeester en schepenen is ingesteld op grond van de instandhouding van handelingen, kan vanaf 1 september 2009 niet langer worden ingewilligd indien deze instandhouding op het ogenblik van de uitspraak niet meer strafbaar is gesteld”.

De inbreuken, gepleegd buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied, kunnen heden bijgevolg verjaren, aangezien het instandhoudingsmisdrijf buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied niet meer strafbaar wordt gesteld. Inbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied blijven echter onverjaarbaar, aangezien de strafsanctie voor het instandhoudingsmisdrijf in ruimtelijk kwetsbaar gebied nog steeds kan worden opgelegd. De regel van art. 26 V.T. Strafvordering dat de burgerlijke vordering niet kan verjaren vóór de strafvordering blijft in dit geval onverkort en verhindert ook de verjaring van de burgerrechtelijke herstelvordering.

Het nieuwe decreet betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning voorziet heden in een nieuwe reglementering. De instandhouding van de illegale gevolgen van de misdrijven, voor zover die gevolgen zich situeren in kwetsbaar gebied, worden in het nieuw in te voeren art. 6.2.2 VCRO uitdrukkelijk gekwalificeerd als stedenbouwkundige inbreuken en dus niet als stedenbouwkundige misdrijven.

Deze kwalificatie als “inbreuk” heeft luidens nieuw art. 6.2.6 VCRO tot gevolg dat de instandhouding in kwetsbaar gebied enkel bestraft kan worden met een exclusieve bestuurlijke geldboete. De instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied betreft dan ook geen “misdrijf”, dat bestraft wordt door de strafrechter of met een alternatieve bestuurlijke geldboete.

De memorie van toelichting bij het decreet van 25 april 2014 verduidelijkt:

“De mogelijkheid tot bestuurlijke beboeting en het onderscheid tussen (gedepenaliseerde) stedenbouwkundige inbreuken en (principieel correctioneel vervolgbare) stedenbouwkundige misdrijven, zoals die nu reeds bestaan in het DABM en het onroerenderfgoeddecreet, worden opgenomen in de VCRO. Vijftig jaar na de Stedenbouwwet, verdwijnt (onder meer) het beruchte instandhoudingsmisdrijf hierdoor uit de strafwet. In kwetsbare gebieden blijft instandhouding wel nog een stedenbouwkundige inbreuk.

Stedenbouwkundige inbreuken kunnen enkel nog gestraft worden met een exclusieve bestuurlijke geldboete. Stedenbouwkundige inbreuken blijven, zoals stedenbouwkundige misdrijven, een grondslag vormen voor het opleggen van gerechtelijke of bestuurlijke herstelmaatregelen. Stedenbouwkundige misdrijven waarvoor het parket (tijdig) aangeeft niet tot vervolging te willen overgaan, zullen voortaan kunnen worden gesanctioneerd met een alternatieve bestuurlijke geldboete.”

De instandhouding buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied was reeds niet meer strafbaar op grond van art. 6.1.1 VCRO. Nu wordt de instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied enkel nog gekwalificeerd als een inbreuk.

Daarenboven lijkt de instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied eveneens te kunnen verjaren. Het nieuw art. 6.2.9 VCRO zal met name bepalen dat de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete - waarmee de nieuwe inbreuken van instandhouding in ruimtelijk kwetsbaar gebied zullen worden bestraft - verjaart na verloop van drie jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk is gepleegd. De verjaring wordt wel gestuit door daden van onderzoek en vervolging (zoals de opmaak van een proces-verbaal), verricht binnen die termijn.

Verder wordt voorzien in het behoud van de verjaringsregeling voor herstelmaatregelen. Het nieuw art. 6.3.3, §3 VCRO zal luiden als volgt:

Ҥ3 Het vorderingsrecht van de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester verjaart als volgt:

1° in ruimtelijk kwetsbaar gebied: na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf werd gepleegd;

2° in openruimtegebied: na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf werd gepleegd;

3° in de andere gebieden: na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag waarop de stedenbouwkundige inbreuk of het stedenbouwkundig misdrijf werd gepleegd.

In afwijking van het eerste lid kunnen herstelvorderingen, gebaseerd op stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken, nooit verjaren voor het verval van de mogelijkheid tot het opleggen van de bestuurlijke geldboete. Artikel 26 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, en de gemeenrechtelijke schorsings- en stuitingsgronden betreffende burgerlijke rechtsvorderingen die volgen uit een misdrijf, blijven van toepassing.”

Ook de herstelvordering voor inbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied zal bijgevolg kunnen verjaren, na voorafgaandelijke verjaring van de mogelijkheid tot het opleggen van een bestuurlijke geldboete.
De nieuwe decreetswijziging lijkt op termijn komaf te kunnen maken met de heden heersende rechtsonzekerheid voor illegale constructies in ruimtelijk kwetsbaar gebied.

Wel kan worden verwacht dat de inwerkingtreding van de nieuwe handhavingsregels een piek in de handhaving van oude stedenbouwmisdrijven/-inbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied zal generen. De handhavende overheden zullen met name een laatste kans zien om deze “slapende inbreuken” - tientallen jaren geleden gepleegde, doch nog niet verjaarde misdrijven - geherkwalificeerd naar inbreuken, te sanctioneren met een bestuurlijke geldboete, dan wel zelfs te trachten nog op de valreep een herstelvordering in te leiden. Of dit te rijmen zal zijn met het huidige beleid van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (in de toekomst Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering), die terughoudend is in het verlenen van positieve adviezen voor oude inbreuken, valt nog af te wachten.

Daarenboven kan er, zonder hier in detail op te willen ingaan, op worden gewezen dat de handhavende overheden heden middels een aantal omwegen de verjaarbaarheid van inbreuken, buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied, trachtten tegen te houden. Zo is er bijvoorbeeld het inmiddels, door het Hof van Cassatie erkende, derde type stedenbouwkundige misdrijven. Naast het oprichtingsmisdrijf en het instandhoudingsmisdrijf wordt het “gewoontemisdrijf” - minstens voor het gewoonlijk gebruik van de grond voor opslag - heden algemeen aanvaard. Ook dit gewoontemisdrijf maakt de verjaring van inbreuken in de praktijk onmogelijk - de verjaring zal pas aanvang nemen na de stopzetting van de laatste daad van gebruik.

Het is dus niet ondenkbaar dat de handhavende overheden nieuwe mogelijkheden zullen zoeken om de gedepenaliseerde instandhoudingsinbreuken in ruimtelijk kwetsbaar gebied toch op een of andere wijze te vervolgen.

Auteur: Alisa Konevina

Meer info?
Contacteer Tom SWERTS
Advocaat - vennoot
015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be

Contacteer Alisa KONEVINA
Advocaat
015/40.49.40 of alisa.konevina@gdena-advocaten.be

Contacteer Karin LIECKENS
Advocaat
015/40.49.40 of karin.lieckens@gdena-advocaten.be