Dwangsombevoegdheid Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (opnieuw) ongrondwettig bevonden

Dwangsombevoegdheid Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (opnieuw) ongrondwettig bevonden

In een reeks recente arresten van 17 september 2015 diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken omtrent het al dan niet grondwettig karakter van een aantal bepalingen uit de VCRO alsook een aantal recente ingrepen van de Vlaamse decreetgever op het vlak van ruimtelijke ordening. Daar waar de wetgevende ingrepen aangaande de ruimtelijke uitvoeringsplannen stand hielden (lees meer hierover), gingen opnieuw een aantal bepalingen uit de VCRO voor de bijl.

Voorwerp van discussie betrof ditmaal de specifieke dwangsombevoegdheid zoals die bij de omvorming van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid naar de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid aan deze laatste werd toegekend. Sinds begin 2011 is de Hoge Raad overeenkomstig artikel 6.1.21, §1 VCRO bevoegd om te oordelen over dwangsomverzoeken, met een gedeeltelijke invordering of tijdelijke opschorting als mogelijk gevolg.

Hierdoor kreeg de Hoge Raad de bevoegdheid om de door de dwangsomrechter bevolen dwangsommen die aan het herstel van een bouwinbreuk werden verbonden, te milderen.

Aanzet Raad van State

Dat het Grondwettelijk Hof zich negatief uitlaat omtrent deze bevoegdheid in hoofde van de Hoge Raad is geen verrassing. Reeds bij arrest van 4 maart 2013 (nr. 222.714) achtte de Raad van State de dwangsombevoegdheid van de Hoge Raad in strijd met het grondwettelijk principe van de scheiding der machten en het fundamentele beginsel dat de rechterlijke beslissingen enkel kunnen worden gewijzigd door de aanwending van rechtsmiddelen.

Het was dan ook diezelfde Raad van State die middels het stellen van een aantal prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof de gekende problematiek opnieuw aan de kaak stelde.

Daarbij stelde zich in eerste instantie de vraag of de Vlaamse decreetgever zélf wel bevoegd was om aan de Hoge Raad de bevoegdheid te geven om de door een rechter uitgesproken dwangsommen te 'moduleren'. Dit aangezien de aspecten van de rechtspleging voor de rechtscolleges in beginsel tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van de federale wetgever. Voorts stelde zich anderzijds de vraag of deze bevoegdheid in hoofde van een orgaan van actief bestuur, de Hoge Raad, gezien diens mogelijke gevolgen voor de uitvoering van rechterlijke beslissingen, wel te rijmen valt met het rechterlijke gezag van gewijsde en het fundamenteel beginsel volgens hetwelk rechterlijke beslissingen alleen door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd.

Het waren deze vragen die aanleiding gaven tot het arrest nr. 113/2015.

Bevestiging Grondwettelijk Hof

Thans stelt het Grondwettelijk Hof in eerste instantie vast dat de regels betreffende de dwangsommen zoals vervat in het Gerechtelijk Wetboek bepaalde aspecten van de rechtspleging voor de rechtscolleges bepalen, waardoor zij in beginsel tot de bevoegdheid van de federale wetgever behoren.

Door het toekennen van een beslissingsbevoegdheid aan de Hoge Raad die ingrijpt op de uitvoering van rechterlijke beslissingen, miskende de decreetgever de bevoegdheidverdelende regels, aldus het Hof.

Bijkomend werd ook de eerdere visie van de Raad van State bevestigd, in die zin dat het Grondwettelijk Hof de aan de Hoge Raad toegekende beslissingsbevoegdheid in strijd acht met het gezag van gewijsde van rechterlijke beslissingen en het principe dat deze enkel door de aanwending van rechtsmiddelen kunnen worden gewijzigd.

Dat een orgaan van actief bestuur zoals de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid (art. 6.1.6, §2 VCRO) deze tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing kan verhinderen, doet aan beide beginselen afbreuk.

Besloten werd dan ook dat de dwangsombevoegdheid van de Hoge Raad in strijd is met de Grondwet en de daarin vervatte bevoegdheidsregels.

En verder?

Met dit bevestigend arrest lijkt aan de dwangsombevoegdheid in hoofde van de Hoge Raad vroegtijdig een einde te komen.

Daar waar de Hoge Raad sinds de gestelde prejudiciële vragen zijn onderzoek omtrent dwangsomverzoeken aanhield, mag worden verwacht dat zij in deze wetenschap geen verdere beslissingen meer zal durven/wensen te nemen. Dit zou immers enkel aanleiding geven tot latere vernietigingsberoepen bij de Raad van State en zou getuigen van een onbehoorlijk bestuur.

Meer problematisch is dat ook het nieuwe Decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de omgevingsvergunning een quasi gelijkaardige dwangsombevoegdheid inschrijft in de VCRO (nieuwe artikel 6.3.12 VCRO), zodat het aangewezen lijkt dat de decreetgever nog voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit decreet en de omgevingsvergunning ingrijpt teneinde een herhaling van deze discussie te vermijden.

Vraag is of de dwangsombevoegdheid bij het noodzakelijke decretale ingrijpen definitief zal worden begraven, dan wel of er een nieuw alternatief wordt voorzien.

GD&A advocaten volgt dit alvast verder voor u op.

Auteur: Jonas De Wit

Meer info?

Contacteer Tom SWERTS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be

Contacteer Jonas DE WIT
Advocaat
Tel 015/40.49.40 of jonas.dewit@gdena-advocaten.be