Het Grondwettelijk Hof en de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen: recente decreten ontspringen (voorlopig) de dans

Het Grondwettelijk Hof en de opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen: recente decreten ontspringen (voorlopig) de dans

In een aantal recente arresten van 17 september 2015 diende het Grondwettelijk Hof zich uit te spreken omtrent het al dan niet grondwettig karakter van een aantal bepalingen uit de VCRO (lees meer hierover) alsook twee recente ingrepen van de Vlaamse decreetgever die een impact hebben op de opmaakprocedure van ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUP's).

Meer concreet werden op vraag van een aantal verenigingen en particulieren meerdere bepalingen die betrekking hebben op de opmaakprocedure van een RUP onderworpen aan de toets van het Grondwettelijk Hof. Oorzaak hiervan waren volgende decreten:

het Decreet van 4 april 2014 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de ruimtelijke ordening en het grond- en pandenbeleid;

het Decreet van 25 april 2014 houdende het rechtsherstel van ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvan de planmilieueffectrapportage werd opgesteld met toepassing van het Integratiespoorbesluit van de Vlaamse Regering.

Voorwerp van discussie was enerzijds de in stelling staande mogelijkheid om een RUP te hernemen gedurende de opmaakprocedure zelf, terwijl anderzijds een zoveelste remedie voor de zgn. Integratiespoor-RUP's in het leven werd geroepen.

De conclusie van het Hof in beide arresten (nrs. 118/2015 en 119/2015) is dat de geviseerde onderdelen van beide decreten -mits juist geïnterpreteerd- de toets aan de Grondwet doorstaan.

Na een resem negatieve uitspraken van het Grondwettelijk Hof (denk maar aan de onwettig bevonden dwangsombevoegdheid van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid of de eerder vernietigde bestuurlijke lus bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen) waren beide arresten wellicht welgekomen voor de Vlaamse decreetgever en diens wetgevende reputatie op het vlak van ruimtelijke ordening.

'Bestuurlijke lus light'

Volgende discrepantie is een gekend gegeven bij planologische overheden: indien hun vaststellingsbeslissing van een RUP werd vernietigd door de Raad van State, herleefde de vaststellingstermijn van 180 dagen en kon een nieuw vaststellingsbesluit genomen worden zonder dat de hele opmaakprocedure -afhankelijk van de vastgestelde onwettigheid- diende te worden hernomen.

Indien echter de uitspraak van de Raad van State niet werd afgewacht doch de eerdere vaststellingsbeslissing van het RUP zelf werd ingetrokken vanwege een opgemerkte onregelmatigheid, bestond dergelijke hernemingsmogelijkheid niet. De vervaltermijn van 180 dagen was immers komen te verstrijken.

Gevolg hiervan was dat de opmaakprocedure helemaal van begin af aan diende te worden overgedaan, met een aanzienlijk tijd- en kostenverlies voor gevolg. Dit terwijl het net passend is dat een bestuur zo snel mogelijk aan vastgestelde onregelmatigheden remedieert.

Met het Wijzigingsdecreet van 4 april 2014 trachtte de Vlaamse decreetgever hier een mouw aan te passen.

Heden beschikken de planologische overheden (Vlaamse Regering, provincieraad, gemeenteraad) over de mogelijkheid om met het oog op het herstel van een onregelmatigheid het definitieve vaststellingsbesluit van een RUP in te trekken en te hernemen, waarbij het wettigheidsgebrek kan worden rechtgezet.


Thans verduidelijkt het Grondwettelijk Hof hoe deze mogelijkheid begrepen dient te worden. Zo stellen de bestreden bepalingen vooreerst het bestuur niet vrij van de verplichting om een beslissing te nemen met actuele kennis van zaken, hetgeen bij gewijzigde omstandigheden de herneming van het openbaar onderzoek kan impliceren. Tevens mag van de hernemingsmogelijkheid enkel gebruik gemaakt worden om onregelmatigheden recht te zetten, waarbij in één klap aan alle onregelmatigheden dient te worden geremedieerd.

Na de eerdere vernietiging van de bestuurlijke lus wordt hierdoor opnieuw een -weliswaar beperkte- mogelijkheid gecreëerd voor de overheid om een onregelmatigheid in de vaststellingsprocedure op eenvoudige wijze recht te zetten, zonder het verdict van de Raad van State te hoeven af te wachten.

Vraag is echter of deze hernemingsmogelijkheid geen vrijbrief is voor het bestuur om minder zorgvuldig te werk te gaan. Verwacht mag echter dat de Raad van State strikt zal toezien op het gebruik van deze mogelijkheid en de daaruit voortkomende ruimtelijke uitvoeringsplannen.

Integratiespoor-RUP's eindelijk op het juiste spoor?

Tot slot lijkt er met het Rechtshersteldecreet van 25 april 2014 ook een einde te komen aan de wetgevende malaise en rechtsonzekerheid voor de RUP's die werden opgemaakt conform het zgn. Integratiespoorbesluit.

Dit Integratiespoorbesluit voerde immers een geïntegreerd traject in voor de opmaak van een plan-MER en een RUP, doch werd al snel onwettig bevonden door de Raad van State wegens een schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook een eerdere poging tot legislatieve validatie sneuvelde voor het Grondwettelijk Hof.

Gevolg hiervan was dat een zeventigtal RUP's die het integratiespoor volgden alsook de daarop gebaseerde vergunningen onder grote druk kwamen te staan.

Met voorliggende Rechtshersteldecreet trachtte de decreetgever hieraan (opnieuw) te remediëren door enerzijds in een gedifferentieerd herstel te voorzien met inbegrip van de herneming van de opmaakprocedure, in combinatie met een tijdelijke legislatieve validatie van de bestaande RUP's anderzijds.

Het Grondwettelijk Hof was ditmaal van oordeel dat deze bijzondere procedure geen verschil in behandeling deed ontstaan ten opzichte van de algemene opmaakprocedure, op voorwaarde dat ook de beslissing tot definitieve vaststelling van het RUP in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Voornamelijk voor de betreffende RUP's en betrokken planologische overheden biedt dit Rechtshersteldecreet en de geslaagde test voor het Grondwettelijk Hof dan ook een uitweg.

Het parcours dat het Integratiespoorbesluit aflegde is er echter één om snel te vergeten.

Hopelijk ondergaat het nieuwe ontwerpdecreet (lees meer hierover) waarin de integratie van het plan-MER in het RUP-planningsproces wordt vooropgesteld, een minder hobbelig parcours als haar voorganger. Uiteindelijke bedoeling blijft evenwel om tot een mindere planlast en administratieve vereenvoudiging te komen.

Wij volgen dit alvast verder voor u op.

Auteur: Jonas De Wit

Meer info?
Contacteer Tom SWERTS
Advocaat-vennoot
Tel. 015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be

Contacteer Jonas DE WIT
Advocaat
Tel. 015/40.49.40 of jonas.dewit@gdena-advocaten.be