Gebrek aan financiële compensatie voor beschermingsbesluiten in nieuwe Onroerenderfgoeddecreet sluit vergoeding o.b.v. het beginsel van de Gelijkheid van de Burgers voor de Openbare Lasten door de rechter niet uit

Gebrek aan financiële compensatie voor beschermingsbesluiten in nieuwe Onroerenderfgoeddecreet sluit vergoeding o.b.v. het beginsel van de Gelijkheid van de Burgers voor de Openbare Lasten door de rechter niet uit

Onroerenderfgoeddecreet onder de loep van het Grondwettelijk Hof

Bij arrest van 1 oktober 2015 (GwH 1 oktober 2015 nr. 132/2015) heeft het Grondwettelijk Hof zich uitgesproken over het al dan niet grondwettig karakter van hoofdstuk 6 en artikel 10.2.2 van het Vlaamse decreet van 12 juli 2013 betreffende het onroerend erfgoed, hierna 'Onroerenderfgoeddecreet' (BS 17 oktober 2013).

Daar waar hoofdstuk 6 de beschermingsprocedure en rechtsgevolgen bepaalt voor een veelheid aan beschermingsstatuten (archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- of dorpsgezichten) biedt het geviseerde artikel 10.2.2 van het decreet de mogelijkheid aan particulieren en gemeenten/OCMW's om premies te bekomen voor werkzaamheden die voor een subsidie in aanmerking komen.

De geviseerde bepalingen van het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet doorstaan grotendeels de toets van het Hof, doch kregen een belangrijke nuancering mee in het licht van het in opmars zijnde beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten (zgn. 'GBOL-beginsel')

GBOL-beginsel

Van oudsher werd aangenomen dat eigendomsbeperkingen die geen onteigening uitmaken niet voor enige vergoeding in aanmerking komen, tenzij wanneer de wetgever in een vergoedingsstelsel voorziet.

Doorheen de jaren kwam dit uitgangspunt echter onder druk te staan en kwamen ook gewone eigendomsbeperkingen waarvan de gevolgen zo aanzienlijk zijn dat zij in de praktijk vergelijkbaar zijn met die van een formele onteigening (de zgn. quasi-onteigeningen), in aanmerking voor een vergoeding.

De laatste jaren gaan zowel het Grondwettelijk Hof als het Hof van Cassatie nog en stap verder door de erkenning van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten (GBOL-beginsel).
Krachtens dit beginsel kan de overheid niet zonder vergoeding lasten opleggen die groter zijn dan die welke een persoon in het algemeen belang moet dragen.

Ook in het hier besproken arrest bevestigt het Grondwettelijk Hof nogmaals het bestaan van dit beginsel en licht zij toe dat een loutere beperking van het eigendomsrecht in het algemeen belang in beginsel geen recht op vergoeding doet ontstaan in hoofde van de eigenaar van het bezwaarde goed.

Wel is dergelijke vergoeding vereist indien en in de mate waarin de gevolgen van de beperking van het eigendomsrecht van de getroffen groep van burgers of instellingen de last te boven gaat die in het algemeen belang aan een particulier kan worden opgelegd, aldus het Hof.

Gebrek aan financiële compensatie in het Onroerenderfgoeddecreet vs. vergoeding op basis van GBOL-beginsel

Hoewel het nemen van een beschermingsmaatregel een beperking van het ongestoord genot en het vrije beschikkingsrecht van het beschermde goed met zich kan meebrengen, voorziet het Onroerenderfgoeddecreet niet in enige rechtstreekse compensatie voor deze beperking en de mogelijke marktwaardedaling die het goed ondergaat.

Vraag is of dit gebrek aan compensatie niet op gespannen voet staat met het hierboven geschetste GBOL-beginsel en de gelijke verdeling van de openbare lasten.

Daarbij stelt het Hof vooreerst vast dat de bescherming van het erfgoed een belangrijke taak van algemeen belang uitmaakt, waarbij de lasten van het erfgoedbeleid in beginsel op gelijke wijze over de gemeenschap dienen te worden verdeeld en niet onverkort mogen worden opgelegd aan een beperkte groep van particulieren.

De afwezigheid van enige vergoeding voor de zakelijkrechthouders van het beschermde goed of van de cultuurgoederen die zich erin bevinden, wordt door de decreetgever verantwoord door aan te geven dat het een beleidsoptie betreft.

Het Grondwettelijk Hof is van oordeel dat deze verantwoording geen rekening houdt met de veelheid aan situaties die zich in concrete gevallen als gevolg van een beschermingsbesluit kunnen voordoen en waarvan niet in abstracto kan worden uitgesloten dat zij in bepaalde gevallen het normale maatschappelijke risico of het normale bedrijfsrisico te buiten gaat.

Het Onroerenderfgoeddecreet mag dan geen financiële compensatie voor beschermingsbesluiten bevatten, het verbiedt evenmin dat de rechter in het kader van een concreet beschermingsbesluit onderzoekt of op grond van het beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten alsnog een vergoeding moet worden toegekend.

Vergoeding in concrete geval mogelijk!

Uit het stilzwijgen van de decreetgever en het niet opnemen van enige vergoedingsregeling leidt het Hof af dat het aan de rechter toekomt om in het concrete geval het GBOL-beginsel te onderzoeken en toe te passen, daarbij rekening houdend met alle concrete elementen van openbaar en privaat belang alsook de redelijke verwachtingen van de burgers in verband met de solidariteit die van hen wordt gevraagd.

Belangrijk is tevens dat het Hof zelf een aantal concrete elementen aanwijst die relevant kunnen zijn bij het onderzoek dat de rechter dient te voeren naar de vraag of er al dan niet een vergoeding verschuldigd is naar aanleiding van een genomen beschermingsmaatregel.

Nuttige elementen daartoe zijn onder meer:

- de redelijke verwachting dat het goed kon worden beschermd;
- het tijdstip waarop en de reden waarom een zakelijkrechthouder dat goed heeft verworven;
- de plannen die hij ermee had, met inbegrip van de vergunningen die hij reeds had aangevraagd of verkregen;
- de reeds gedane investeringen;
- de invloed van het beschermingsbesluit op de marktwaarde van het goed;
- de kennis en financiële middelen waarover de zakelijkrechthouder beschikt om de verplichtingen die uit het beschermingsbesluit voortvloeien na te leven;
- de belangen die aan het bestreden decreet ten grondslag liggen;
- de erfgoedwaarde en het erfgoedbelang van het beschermde goed;
- het eerdere gedrag van de eigenaar met betrekking tot de erfgoedwaarde van het goed
- de reeds toegekende premies en subsidies;
- de financiële draagkracht van de overheid
- enz.

Kortom: dat het nieuwe Onroerenderfgoeddecreet niet in compensatiemaatregelen voorziet bij het beschermen van onroerende goederen, betekent niet dat de last die een beschermingsbesluit oplegt aan de zakelijkrechthouder van het beschermde goed mogelijks de normale risico's die een persoon in het algemeen belang dient te dragen, kan overschrijden, waarna alsnog een vergoeding verschuldigd zal zijn.

Overige toetsstenen 

Overeenkomstig artikel 6.1.2 Onroerenderfgoeddecreet kunnen de door de Vlaamse Regering daartoe aangewezen ambtenaren voor het onderzoek naar de erfgoedwaarden toegang nemen tot de archeologische sites, monumenten, cultuurhistorische landschappen en stads- en dorpsgezichten die in aanmerking komen voor bescherming.

Het Hof is van oordeel dat deze toegang het recht op onschendbaarheid van de woning niet schendt.

Anderzijds dient de machtiging hiervoor bij eenzijdig verzoekschrift te worden gevraagd, hetgeen wel op onevenredige wijze afbreuk doet aan de onschendbaarheid van de woning, aldus het Hof. De laatste zin van artikel 6.1.2 van het Onroerenderfgoeddecreet wordt bijgevolg wel vernietigd.

Tot slot diende het Hof zich te buigen over de verschillende premiesystemen naargelang de werkzaamheden aan of in beschermd bouwkundig erfgoed door natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen (minstens 32,5 %) dan wel door de gemeenten of OCMW's (minstens 80%) worden uitgevoerd. 

Het Grondwettelijk hof meent echter dat dit verschil in behandeling berust op een objectieve en redelijke verantwoording.

De zakelijkrechthouders die natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen zijn, kunnen immers met de toegekende premie een meerwaarde realiseren die bij verkoop of verhuur van het beschermde goed in zijn patrimonium terechtkomt, terwijl die meerwaarde bij gemeenten en OCMW's toekomt aan de gemeenschap.
Bovendien zijn de bedoelde overheden uitgesloten van de fiscale gunstmaatregelen, waarop private personen daarentegen wel een beroep kunnen doen.

Daarenboven merkt het Hof op dat het Vlaams Gewest de beleidsvrijheid heeft om ervoor te kiezen dat de onroerend erfgoedzorg in hoofde van de lokale overheden in het bijzonder dient te worden gestimuleerd.

Een afschrift van het volledige arrest kan u vinden op de website van het Grondwettelijk Hof: http://www.const-court.be/

Auteur: Nathalie Mortelmans

Meer info?
Contacteer Tom SWERTS
Advocaat-vennoot
Tel. 015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be

Meer info?
Contacteer Nathalie MORTELMANS
Advocaat
Tel. 015/40.49.40 of nathalie.mortelmans@gdena-advocaten.be