Btw op schoolgebouwen naar 6%

Btw op schoolgebouwen naar 6%

Op 15 december 2015 is de wijziging van KB nr. 20 bekend gemaakt, waarmee het btw-tarief op de realisatie van schoolgebouwen naar 6% wordt gebracht. Dit is positief nieuws voor de lokale besturen die investeren in schoolgebouwen op hun grondgebied.

Artikel 1 van het KB van 14 december 2015 voegt een nieuwe rubriek ″XL. Schoolgebouwen″ in in tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. Deze bepaling voert derhalve een verlaagd btw-tarief van 6% in voor de aankoop, bouw of leasing van schoolgebouwen.

Onder schoolgebouwen worden verstaan de schoolgebouwen bestemd voor het school- of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44, §2, 4°, a) WBTW is vrijgesteld. Dit artikel heeft betrekking op het onderwijs dat bestaat uit het geven van lessen, in de regel gedurende een periode die overeenstemt met een school- of academiejaar, met inachtneming van een pedagogisch programma en de organisatie van examens met het oog op de aflevering van een geschrift (diploma, getuigschrift, brevet, attest). Het gaat in het bijzonder om het gereglementeerde onderwijs waaronder het kleuteronderwijs, lager onderwijs, middelbaar onderwijs, hogeschool- en universitair onderwijs, buitengewoon onderwijs, volwassenonderwijs en dergelijke, al dan niet deeltijds.

Het kunstonderwijs, dat wordt verstrekt door een muziekacademie, een dansacademie en dergelijke, wordt eveneens bedoeld voor zover wordt voldaan aan de hiervoor vermelde voorwaarden en de in dit kader verrichte diensten geen louter recreatief karakter hebben. Dit betekent dat ook het deeltijds kunstonderwijs in aanmerking komt voor het verlaagde tarief.

Tevens wordt de beroepsopleiding en -herscholing beoogd die direct tot doel heeft een vak of een beroep aan te leren evenals de in dat kader gegeven bijscholing, herscholing of permanente vorming. Rekening houdend met de bijzondere aard van deze beroepsopleiding en -herscholing wordt niet geëist dat het onderricht wordt verstrekt gedurende een periode die overeenstemt met een school- of academiejaar.

Het verlaagd tarief van 6 % is derhalve van toepassing:

1) op de leveringen van schoolgebouwen, bestemd voor het school of universitair onderwijs dat op grond van artikel 44, § 2, 4°, a) WBTW is vrijgesteld, alsook op de vestigingen, overdrachten en wederoverdrachten van zakelijke rechten op zulke goederen die niet overeenkomstig artikel 44, § 3, 1° WBTW van de belasting zijn vrijgesteld;

2) op het werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid WBTW, met uitsluiting van het reinigen, en de andere handelingen bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° tot 6°, van de voornoemde tabel A, verricht aan schoolgebouwen;

3) op de in artikel 44, § 3, 2°, b) WBTW bedoelde onroerende financieringshuur of onroerende leasing die betrekking heeft op schoolgebouwen.

Het verlaagde btw-tarief is dus niet van toepassing op diensten, die niet als werk in onroerende staat worden aangemerkt, zoals de diensten verstrekt door de architect, de veiligheidscoördinator,... De volledige investeringskost mag in de budgetten dus niet lineair met 15% worden verminderd.

De formulering “bestemd voor” lijkt aan te geven dat de onderwijsinstelling niet zelf eigenaar dient te zijn van het schoolgebouw. Dit is van belang in het kader van PPS-constructies.

De regering volgt de opmerking van de Raad van State, waarin de Raad stelt dat dat Europa een verlaagd tarief op schoolgebouwen niet toelaat, niet.  De regering stelt dat er tot op heden geen enkel arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie is dat handelt over de toepassing van een verlaagd btw-tarief op de levering, bouw, renovatie en verbouwing van schoolgebouwen. Bovendien blijkt volgens de regering uit recente rechtspraak van het Hof (Zaak C-161/14, 4 juni 2015, Europese Commissie tegen Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) dat de draagwijdte van punt 10 van bijlage III van Richtlijn 2006/112/EG, op basis waarvan de regering meent voormeld verlaagd btw-tarief te kunnen toepassen, niet strikt is afgelijnd. Het Hof stelt immers vast dat de verschillende taalversies van bovenvermeld punt 10 verschillende bewoordingen bevatten waardoor de betekenis van die bepaling kan worden beïnvloed. Het kaderen van kwalitatieve onderwijsinfrastructuur in het sociaal beleid volstaat volgens de regering. Deze discussie krijgt mogelijks nog een staartje.

Het nieuwe btw-tarief treedt in werking op 1 januari 2016. Dit betekent dat het verlaagde tarief moet worden toegepast op de btw die opeisbaar wordt vanaf 1 januari 2016. Dit is goed nieuws ook voor lopende bouwprojecten.

Een belangrijke vraag blijft wat precies moet worden begrepen onder het begrip “schoolgebouwen”. Teneinde zo rendabel mogelijk te bouwen, worden sporthallen en andere vrijetijdsinfrastructuur vaak op een schoolsite gebouwd zodat deze tijdens de schooluren door de leerlingen kunnen worden gebruikt en na de scholuren door het verenigingsleven. Het feit dat deze infrastructuur minstens gedeeltelijk voor subsidiëring in aanmerking kan komen, lijkt alvast een degelijk argument.

Auteur: Steven Michiels

Meer info?

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be