De belasting op tweede verblijven en het gelijkheidsbeginsel: Recente belangrijke ontwikkelingen in de rechtspraak

De belasting op tweede verblijven en het gelijkheidsbeginsel: Recente belangrijke ontwikkelingen in de rechtspraak  

In deze nieuwsbrief wordt gewezen op enkele recente belangrijke ontwikkelingen in de rechtspraak waarbij de belasting op tweede verblijven, en meer in het bijzonder het doel en het tarief van de belasting en de vrijstelling van belasting, wordt getoetst aan het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. 

Hieruit blijkt dat de invoering van de belasting als een louter compenserende heffing voor minderontvangsten, ongeacht of de gemeente haar vaste inwoners met een hoofdverblijfplaats in de gemeente aan de AGPB onderwerpt, thans problematisch lijkt zodat dan ook moet worden gezocht naar een andere pertinente verantwoording, zoals bijv. de bescherming van de residentiële bewoning, weeldebelasting, combinatie minderontvangsten vermeerderd met bepaalde meerkosten, … 

Verder wordt ook aandacht besteed aan enkele alternatieve mogelijkheden om de belasting op tweede verblijven te rechtvaardigen, zoals de mogelijkheid tot decretale verankering van de belasting op tweede verblijven ter ondersteuning van het woonbeleid.

 

1.    Het doel van de belasting

 

1. In de meeste belastingreglementen wordt voor het fiscaal doel slechts verwezen naar de financiële toestand van de gemeente. De belasting op de tweede verblijven is dus in de regel een algemene gemeentelijke heffing, zonder enig specifiek fiscaal doel.

 

2. In een aantal gevallen treft men in het overwegende gedeelte van het belastingreglement enige bijkomende motivering aan: 


-      
Het feit dat door de gemeente belangrijke inspanningen worden geleverd op het vlak van het openbaar domein en van de groenaanplantingen in zones waar de meeste tweede verblijven gesitueerd zijn.

 -       Het feit dat niet permanent bewoonde eigendommen aanleiding geven tot een grotere zorg voor de veiligheid, het milieu en de openbare ruimte, wat zijn financiële weerslag op het gemeentelijk budget heeft.

-       Het feit dat iedereen die op het grondgebied van de gemeente woont of verblijft, maar geen bijdrage levert in de financiering van de gemeentelijke uitgaven via de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting (AGPB), toch enigszins geldelijk moet bijdragen in de gemeentelijke uitgaven.

 

3. Deze bijkomende motivering belet niet dat het belastingreglement het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel kan schenden.

 

4. Het Hof van Beroep van Gent oordeelde in twee arresten van 12 maart 2013 en 16 april 2013 dat de belasting op tweede verblijven van de gemeente Koksijde strijdig is met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel.

De gemeente Koksijde is één van de drie gemeenten (naast De Panne en Knokke-Heist) die haar ‘vaste’ inwoners met een hoofdverblijfplaats in de gemeente niet onderwerpt aan AGPB.

Het was deze omstandigheid die de gemeente enkele jaren geleden finaal de das omdeed in de discussie rond haar belasting op tweede verblijven. Enkele personen die de gemeente aan deze belasting wilde onderwerpen, voelden zich immers gediscrimineerd in vergelijking met de ‘vaste’ inwoners van de gemeente. Volgens het belastingreglement is de belasting op tweede verblijven bedoeld om bepaalde door de gemeente gemaakte kosten te dekken die vooral ten goede zouden komen aan de eigenaars van tweede verblijven, waaronder investeringen in de verfraaiing van het openbaar domein en kosten inzake beveiliging. Volgens de betrokkenen betreft het evenwel eerder kosten die algemeen van nut zijn, en die dus ook ten goede komen aan de ‘vaste’ inwoners van de gemeente. Zij moeten evenwel niet bijdragen in deze kosten gezien de gemeente geen AGPB heft zodat er sprake zou zijn discriminatie.

Het Hof van Beroep van Gent kon zich terugvinden in voormelde redenering. Het feit dat het gemeentebestuur jarenlange inspanningen levert op het vlak van het openbaar domein en van de groenaanplantingen en dat niet-permanent bewoonde eigendommen aanleiding geven tot een grotere zorg voor de veiligheid en de openbare ruimte, vormt voor het Hof op zich geen objectieve reden om de kosten ter dekking waarvan het belastingreglement een belasting wil heffen, uitsluitend ten laste van eigenaars van tweede verblijven te innen en niet ten laste van de inwoners van de gemeente.

 Zowel de verfraaiing van de gemeente als de zorg voor de veiligheid en de open ruimte op het grondgebied van de gemeente komen volgens het Hof immers in principe aan allen die zich op het grondgebied van de gemeente bevinden, ten goede. Desbetreffend werd volgens het Hof door de gemeente Koksijde niet aangetoond dat de eigenaars van tweede verblijven meer dan anderen aanleiding geven tot het maken van die kosten, noch dat dezen daar meer voordeel uit halen of gebruik van maken.

De gemeente Koksijde trachtte haar belasting op tweede verblijven nog te redden door erop te wijzen dat haar bewoners al geacht worden via de dotatie van het ‘Gemeentefonds’ bij te dragen in de kosten inzake verfraaiing van het openbaar domein en veiligheid, terwijl dat voor eigenaars van tweede verblijven niet het geval zou zijn.

Het Hof veegde dit argument evenwel van tafel gezien de bijdragen die de gemeente ontvangt van het Gemeentefonds “niet louter en alleen worden bepaald op basis van het aantal inwoners van de gemeente”.

Bijgevolg besloot het Hof dat het Koksijdse belastingreglement op tweede verblijven strijdig was met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel en weigerde om die reden het reglement toe te passen.


5. Inmiddels heeft het Hof van Cassatie in twee arresten van 3 september 2015 de voorziening verworpen die de gemeente Koksijde had ingesteld tegen voormelde arresten van het Hof van Beroep van Gent waarbij de belasting op tweede verblijven van de gemeente Koksijde strijdig werd bevonden met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel.

In essentie werd door de gemeente Koksijde aangevoerd dat er wel een redelijke verantwoording is voor de verschillende behandeling van de eigenaars van een tweede verblijf en de eigen inwoners van de gemeente die niet onderworpen zijn aan AGPB omdat de eigen inwoners door hun hoedanigheid van gedomicilieerde via de bedragen die de gemeente ontvangt uit het Gemeentefonds reeds een bijdrage leveren tot de uitgaven die door het belastingreglement worden geviseerd.

Deze argumentatie berust volgens het Hof op een onjuiste rechtsopvatting nu het de Vlaamse overheid is die bijdraagt tot deze vorm van financiering.

Het Hof oordeelt verder dat de overige argumenten die de gemeente Koksijde aanvoerde om het verschil in behandeling te verantwoorden niet werden aangevoerd voor het Hof van Beroep zodat het Hof er geen acht kon op slaan (nieuw middel).

 

6. Het Openbaar Ministerie wees er in zijn schriftelijke conclusie in de zaak F.13.0125.N op dat de beslissing van het Hof in deze zaak niet zonder meer kon worden geëxtrapoleerd naar andere belastingreglementen op tweede verblijven die op een andere wijze worden verantwoord dan als een compenserende heffing omwille van de gemeentelijke dienstverlening, nl. als een belasting op weelde, die veruitwendigd wordt nu men naast zijn hoofdverblijfplaats nog over een bijkomend verblijf beschikt, en waaraan zowel inwoners als niet-inwoners zijn onderworpen.

Verder blijkt uit de schriftelijke conclusie van het Openbaar Ministerie in deze zaak dat de appelrechters bij hun toets van het oude belastingreglement op tweede verblijven aan het gelijkheidsbeginsel mogelijks te ver zijn gegaan. Zij konden immers gezien de visie van het Hof van Cassatie ter zake van de gemeente Koksijde niet eisen om het bewijs te leveren dat tweede verblijven effectief meerkosten inzake veiligheid meebrengen. Het effectief bestaan van dergelijke kosten ligt immers voor de hand en lijkt zeker niet onlogisch of onredelijk, hetgeen volgens het Hof van Cassatie volstaat als objectieve verantwoording voor een onderscheiden behandeling.

 

7. De context waarin voormelde rechtspraak is geveld, is zeer specifiek gezien de gemeente Koksijde geen AGPB heft. Volgens voormelde rechtspraak kan het in die situatie niet dat de belasting wordt verantwoord door het doel bepaalde kosten te dekken, (1) terwijl deze kosten blijkbaar zowel aan de ‘vaste’ inwoners als aan de eigenaars van tweede verblijven ten goede komen, en (2) terwijl de eersten met rust worden gelaten (want geen heffing van AGPB) en vooral de eigenaars van tweede verblijven worden gevraagd de gemeentekas te spijzen (via de belasting op tweede verblijven).

 

8. Evenwel moet worden opgemerkt dat de Rechtbank van Eerste Aanleg van West-Vlaanderen, afd. Brugge, inmiddels ook reeds besloten heeft tot de schending van het gelijkheidsbeginsel t.a.v. de Stad Oostende die wél AGPB heft (i.t.t. bv. Koksijde, Knokke-Heist en De Panne waar 0 % AGB wordt geheven) en waar de belasting werd ingevoerd als een compenserende heffing voor minderontvangsten.

De Rechtbank van Eerste Aanleg van West-Vlaanderen, afd. Brugge, heeft immers met vonnis van 24 juni 2015 ook de belasting op tweede verblijven van de Stad Oostende strijdig bevonden met het gelijkheidsbeginsel op basis van soortgelijke argumenten als die door het Hof van Beroep van Gent werden ontwikkeld om de belasting op tweede verblijven van de gemeente Koksijde onderuit te halen.

De rechtbank volgt de stelling van de belastingplichtige dat niet-inwoners middels de tweedeverblijfsbelasting veel meer betalen dan het overgrote deel van de inwoners via de personenbelasting betalen, en dit terwijl de niet-inwoners wel al op gelijke wijze bijdragen via de opcentiemen op de onroerende voorheffing, ook al maken ze minder gebruik van de geboden faciliteiten.

De stelling van de Stad Oostende dat inwoners al via de dotatie van het Gemeentefonds geacht worden bij te dragen in de gemeentelijke uitgaven, terwijl dat voor eigenaars van tweede verblijven niet het geval zou zijn, wordt niet door de rechtbank gevolgd. Daartoe analyseert zij uitvoerig de desbetreffende wetgeving (decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds).

De rechtbank volgt evenmin de stelling dat vaste inwoners moeten worden geacht tot de kosten van cultuurbeleidsplannen bij te dragen doordat de gemeenten daarvoor subsidies ontvangen, die worden vastgesteld aan de hand van de eigenlijke bevolkingsaantallen.

 

9. Uit voormelde rechtspraak mag niet worden besloten dat nu alle gemeentelijke belastingen op tweede verblijven in hetzelfde bedje ziek zijn. Zo oordeelde de Rechtbank van Eerste Aanleg van West-Vlaanderen, afd. Brugge, in een vonnis van 24 november 2014 dat het gelijkheidsbeginsel niet werd geschonden wegens de bijkomende motivering in het belastingreglement van de gemeente Knokke-Heist, waar dus ook geen AGPB wordt geheven t.a.v. eigen inwoners.

Naast een financiële doelstelling had het belastingreglement ook een niet-financiële doelstelling, nl. het beschermen van het wonen voor eigen inwoners. Eén van de middelen daartoe is het ontmoedigen van tweede verblijven in de dorpskern, om een boeiend en coherent sociaal leven te kunnen behouden, zonder woningen die lange tijd onbewoond zijn. Gezien het doel en de aard van de belasting is het dan ook volgens de rechtbank niet onredelijk dat het belastingreglement zowel inwoners als niet-inwoners aan de belasting op tweede verblijven onderwerpt. Desbetreffend wordt evenwel aangestipt dat de belastingplichtige beroep heeft aangetekend tegen dit vonnis en dat de beroepsprocedure thans nog steeds hangende is voor het Hof van Beroep van Gent.

 

10. Voormelde recente rechtspraak toont o.i. aan dat de invoering van het belastingreglement best wordt verantwoord op grond van andere redenen dan louter als een compenserende heffing voor minderontvangsten.

Hierbij kan in eerste instantie worden gedacht aan de overweging dat met de heffing wordt getracht om het residentieel wonen binnen de gemeente te beschermen door het ontmoedigen van tweede verblijven, hetgeen kan worden onderbouwd door verwijzing naar woonbeleidsplannen. De bescherming van het residentieel wonen binnen de gemeente kan o.i. weldegelijk een redelijke en objectieve verantwoording voor de belasting op tweede verblijven zijn, hetgeen ook reeds eerder werd bevestigd door de Rechtbank van Eerste Aanleg van West-Vlaanderen, afd. Brugge, in voormeld vonnis van 24 november 2014 inzake de belasting op tweede verblijven van de gemeente Knokke-Heist. Bovendien kan hiermee ook een verklaring worden geboden voor het feit dat geen (of slechts een gering aantal, bv. minder dan 5 %) AGPB wordt geheven. Dit zou immers eerder een contraproductief effect hebben op het verlagen van de druk op de woningmarkt.

Verder kan o.i. de stelling worden verdedigd dat de belasting op tweede verblijven geen compenserende heffing voor het gebrek aan AGPB is. Dit blijkt uit het feit dat de belasting op tweede verblijven ook kan worden opgelegd in hoofde van feitelijke en rechtspersonen die eigenaar zijn van een tweede verblijf, terwijl zij geen aanvullende belasting verschuldigd zijn gezien zij aan de rechtspersonenbelasting of vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

Voorts kan o.i. worden opgeworpen dat de belasting op tweede verblijven onterecht in verband wordt gebracht met AGPB gezien zij eerder als een weeldebelasting op het gebruik van een luxegoed moet worden beschouwd. De weeldebelasting op het gebruik van een luxegoed wordt veruitwendigd door het feit dat de belastingplichtige naast zijn hoofdverblijfplaats nog over een bijkomend verblijf beschikt, en hieraan zowel inwoners als niet-inwoners zijn onderworpen. Desbetreffend kan in het belastingreglement ook een onderscheid worden gemaakt naargelang het eerder bescheiden tweede verblijven betreft, dan wel meer luxueuze onroerende goederen waarbij ook rekening wordt gehouden met de oppervlakte van de woongelegenheid. (zie ook infra)

Tenslotte ligt het o.i. ook voor de hand dat de voorzieningen van de lokale overheid aan de toename van de bevolking door het gebruik van tweede verblijven moeten worden aangepast en dat door een tweede verblijf voor de gemeente zekere kosten ontstaan, zowel op het gebied van de administratie en veiligheid als inzake infrastructuur en afvalbeheersing. Desbetreffend kan o.i. niet worden gevraagd om het bewijs te leveren dat tweede verblijven effectief meer dan anderen aanleiding geven tot het maken van specifieke meerkosten, bijv. inzake veiligheid. Het effectief bestaan van dergelijke kosten ligt immers voor de hand en lijkt zeker niet onlogisch of onredelijk, hetgeen volgens het Hof van Cassatie volstaat als objectieve verantwoording voor een onderscheiden behandeling. Dezelfde kritiek werd ook reeds geformuleerd door het Openbaar Ministerie in zijn schriftelijke conclusie in de zaak F.13.0125.N t.a.v. de gelijkaardige motivering die door het Hof van Beroep van Gent desbetreffend werd gegeven in zijn arrest van 12 maart 2013 om deze verantwoording naast zich neer te leggen.

De Rechtbank van Eerste Aanleg van West-Vlaanderen, afd. Brugge, bevestigde bovendien trouwens zelf in een ander vonnis van 18 juni 2014 dat door een tweede verblijf voor de gemeente zekere kosten ontstaan, zowel op het gebied van de administratie en veiligheid als inzake infrastructuur en afvalbeheersing zodat het dan ook niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat de gemeente een belasting op tweede verblijven heft. Ook het Hof van Beroep van Gent oordeelde in een arrest van 3 juni 2014 dat het niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dat een belasting op tweede verblijven wordt geheven gezien de voorzieningen van de lokale overheid aan de toename van de bevolking door het gebruik van tweede verblijven moeten worden aangepast. 

 

11.  Het lijkt ons aangewezen om na te gaan of de verantwoording van de bestaande belastingreglementen al dan niet conform de huidige rechtspraak inzake de schending van het gelijkheidsbeginsel zijn en deze, desgevallend, hieraan aan te passen. Indien uw bestuur dat wenst, stellen wij onze expertise uiteraard graag ter uwer beschikking.

 

12. Verder bestaat er ook de mogelijkheid voor de gemeenten tot decretale verankering van de belasting op tweede verblijven ter ondersteuning van het woonbeleid.

De decretale machtiging vormt een mogelijkheid om de belasting op tweede verblijven te rechtvaardigen.

Er kunnen onderhandelingen worden gevoerd met minister Homans, bevoegd zowel voor binnenlands bestuur als voor wonen, om een decretale machtiging voor gemeenten te bekomen om een gemeentebelasting op tweede verblijven te heffen.

Een dergelijke decretale verankering zou kunnen worden voorzien in bijvoorbeeld het Decreet betreffende het grond- en pandenbeleid. Ter ondersteuning van het woonbeleid voorziet dit decreet vandaag reeds in de uitdrukkelijke machtiging om een activeringsheffing en een leegstandsheffing in te voeren. De belasting op tweede verblijven zou daar bv. als derde machtiging kunnen worden aan toegevoegd. Dit zou o.i. kunnen worden verantwoord doordat tweede verblijven een druk veroorzaken op de woningmarkt,… Die druk zou dan kunnen worden gemilderd door een belasting op tweede verblijven.

Indien de verantwoording rechtstreeks uit het decreet komt en gekaderd is in het woonbeleid, zou ook de link met de AGPB kunnen vervallen of minstens sterk vervagen. In tegendeel, indien men de druk op de woningmarkt wil minderen, is de invoering van een AGPB zelf contraproductief, waardoor men moeilijker zal kunnen eisen dat er ook een AGPB is vooraleer men een belasting op tweede verblijven kan invoeren.

Desbetreffend merken wij op dat de kabinetschef sterk te vinden is voor een motivering vanuit het woonbeleid zonder link naar AGPB.

Evenwel moet worden aangestipt dat bij een wetgevend initiatief de gemeentelijke autonomie mogelijk te veel aan banden wordt gelegd door voorwaarden die zouden worden toegevoegd. Het risico bestaat dat het parlement niet zomaar een decretale machtiging zal willen voorzien, zonder daar ook voorwaarden (lees ‘beperkingen’) aan te koppelen. 

Het recente wegvallen van de compensatie voor de vrijstelling van materieel en outillage bij de onroerende voorheffing kan mogelijks voor een momentum zorgen, teneinde op deze wijze enige compensatie onder de vorm van rechtszekerheid voor de gemeentebelasting op tweede verblijven in de plaats te krijgen.

Mogelijks kan worden bekeken of de omzendbrief van 2011 m.b.t. gemeentebelastingen kan worden geactualiseerd. Daarin wordt nu nogal sterk de nadruk gelegd op de compenserende werking en de link met AGPB. Dit zou eruit moeten. Hier is dan weer het nadeel dat de volledige omzendbrief moet worden herzien en men niet enkel één item kan aanpassen.

Tijdens het beleidsoverleg van de Kustburgemeester op 13 januari 2016 in het provinciehuis Boeverbos (Sint-Andries) werd deze mogelijkheid voor de gemeenten tot decretale verankering van de belasting op tweede verblijven ter ondersteuning van het woonbeleid besproken en werd besloten om hieromtrent alvast onderhandelingen te voeren met de bevoegde minister Homans.

 

2.    Het tarief

 

13. Het hanteren van een uniform tarief kan aanleiding geven tot schending van het gelijkheidsbeginsel indien blijkt dat zo’n eenvormige belastingvoet zonder redelijke verantwoording ongelijke toestanden behandelt.

Het is dan ook toegelaten om gedifferentieerde aanslagvoeten in te voeren naargelang de ligging van het tweede verblijf in een wel bepaalde zone of naargelang de waarde van het tweede verblijf.

Hierbij moeten verantwoorde en objectieve criteria in acht worden genomen. Volgens de minister is een differentiatie van het tarief wenselijk, zeker indien hoge aanslagvoeten worden vastgesteld. Hiermee zou kunnen worden tegemoet gekomen aan de volgens de minister terechte klachten van verschillende belastingplichtigen die slechts over een bescheiden tweede verblijf beschikken en toch dezelfde hoge tarieven moeten betalen als eigenaars van luxueuze gelegenheden.

In de praktijk kan worden vastgesteld dat voornamelijk een aantal kustgemeenten een differentiatie in het tarief toepassen, dit naargelang de ligging van het tweede verblijf (bijvoorbeeld al dan niet palen aan de zeedijk).

Ook een differentiatie in tarifering tussen vaste caravans en andere tweede verblijven kan in een beperkt aantal reglementen worden teruggevonden. Een onderscheid tussen eerder bescheiden tweede verblijven (zoals een stacaravan) en meer luxueuze onroerende goederen (woningen en appartementen) is nochtans wel aangewezen tenzij het bedrag van de belasting sowieso beperkt is.

 

14. Blijkens de aanhef van een belastingreglement van de gemeente Knokke-Heist en het administratief dossier is de belasting ingegeven door de financiële nood van de gemeente en door de wens om het residentieel wonen te beschermen, door de druk van de vele tweede verblijven te verlagen en zo een boeiend en coherent sociaal leven in de dorpen te behouden en te vermijden dat men er geconfronteerd wordt met woningen die langere tijd onbewoond zijn.

De Raad van State oordeelde in een arrest van 13 juli 2015 dat in het licht hiervan de verschillen qua omvang, grootte en kadastraal inkomen van de tweede verblijven –verschillen die volgens het middel als differentiatiecriteria moesten zijn gebruikt- niet ter zake doen. Ten aanzien van de verantwoording om, met het oog op de financiering van de algemene dienstverlening, specifiek met betrekking tot het gebruik van private woongelegenheden als tweede verblijf een bijdrageplicht in te voeren vanwege de druk die er van tweede verblijven uitgaat op de permanente bewoning en het sociaal leven dat te lijden heeft van woningen die gedurende langere tijd onbewoond zijn, is het volgens de Raad van State zonder relevantie of de tweede verblijven groot dan wel klein zijn of een groot dan wel bescheiden kadastraal inkomen hebben.

Bijgevolg besloot de Raad van State dat de belastingplichtige niet deed aannemen dat de aangevochten belasting het gelijkheidsbeginsel schendt doordat ze geen rekening hield met de genoemde verschillen.

 

3.    Vrijstelling van belasting

 

15. Door het verlenen van een belastingvrijstelling creëert de belastingheffende overheid een onderscheid tussen verschillende categorieën van personen. De vraag rijst hierbij onmiddellijk of hierdoor het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in fiscalibus niet in het gedrang komt.

In beginsel niet, aangezien het principe van de gelijkheid van de burgers inzake belastingen, verwoord in de artikelen 10 en 172 van de Grondwet, de gemeenteraad niet verbiedt een onderscheid te maken onder de belastingplichtigen, op voorwaarde echter dat dit onderscheid niet willekeurig is, hetgeen onder meer inhoudt dat het criterium volgens hetwelk de belasting al dan niet verschuldigd is, in verband moet staan met de aard van de belasting en met het doel van de belastingheffing en dat de aangewende middelen redelijkerwijze evenredig moeten zijn met dat doel.

 

16. In een arrest van 13 oktober 2015 weigerde het Hof van Beroep van Gent toepassing te maken van een gemeentebelasting op tweede verblijven om reden dat door de lokale overheid voorziene vrijstellingen van belasting de toets van het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel niet kunnen doorstaan.

Vaak voorzien gemeenten die een belasting op tweede verblijven invoeren in diverse vrijstellingen die op het eerste gezicht perfect te verantwoorden zijn, maar bij nader inzicht toch ongeoorloofde discriminaties opleveren.

Ter zake werd door de gemeente Zedelgem een belasting geheven op elke private woongelegenheid die, op 1 januari van het dienstjaar, voor de eigenaar of huurder ervan niet tot hoofdverblijf dient, maar die op elk ogenblik door hem/haar voor bewoning kan worden gebruikt. Zij verleent vrijstelling voor elke woongelegenheid die voorheen als hoofdverblijf gebruikt werd door de persoon die is opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis, in een home voor bejaarden of die wegens redenen van ouderdom of gezondheid bij zijn of haar kinderen verblijft.

Volgens het Hof van Beroep van Gent wordt het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel door dit gemeentereglement geschonden en mag het niet worden toegepast. Het Hof ziet immers niet in waarom  de eigenaar van een woongelegenheid die voorheen als hoofdverblijf werd gebruikt door de persoon die is opgenomen in een rust- en verzorgingstehuis, in een home voor bejaarden of die wegens redenen van ouderdom of gezondheid bij zijn kinderen verblijft, vrijstelling van belasting zou mogen genieten wanneer hij het pand verhuurt, zonder dat die huurder in het onroerend goed zijn hoofdverblijf vestigt.

Zelfs ten aanzien van de eigenaar die niet verhuurt, creëert het reglement zo –met name door de vrijstelling niet alleen te voorzien voor de niet-verhuurde panden-,   een onderscheid in behandeling dat niet redelijk verantwoord is. De omstandigheid die aanleiding geeft tot de vrijstelling (de hoge leeftijd en/of de slechte gezondheid) verantwoordt in dat geval immers niet de vrijstelling. Bijgevolg heeft het Gentse Hof besloten dat het belastingreglement van de gemeente Zedelgem in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en dus  buiten toepassing moet blijven.

 

Auteurs: Steven MICHIELS en Bart ENGELEN


Meer info?

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be

Contacteer Bart ENGELEN
Advocaat
Tel 015/40.49.40 of bart.engelen@gdena-advocaten.be