Ook algemeen en aanhoudend negatief gedrag kan aanleiding geven tot een tuchtsanctie

Ook algemeen en aanhoudend negatief gedrag kan aanleiding geven tot een tuchtsanctie 

Elke handeling of gedraging die een tekortkoming aan de beroepsplichten uitmaakt of die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengt, alsook een overtreding van de rechtspositieregeling is, is een tuchtvergrijp en kan aanleiding geven tot een tuchtstraf (art. 119 Gemeentedecreet en art. 118 OCMW-decreet).

Een dergelijk tuchtfeit kan daarbij een precieze tekortkoming, dan wel een algemene houding.
Een tuchtstraf kan dus ook het algemeen gedrag van een statutair personeelslid bestraffen.
Met dergelijke beoordeling sluit de Beroepscommissie voor Tuchtzaken zich aan bij de vaststaande rechtspraak van de Raad van State.

De discretionaire bevoegdheid van de tuchtoverheid

De tuchtregeling en de betreffende tuchtprocedure, opgenomen in de organieke decreten en uitvoeringsbesluiten voor de lokale besturen, zijn zoals bekend enkel bedoeld voor het statutaire personeel.

Tuchtfeiten zijn daarbij schuldige tekortkomingen aan de beroepsplichten, de verplichtingen die het personeelslid in zijn hoedanigheid van medewerker aan de openbare dienst heeft tegenover deze dienst.

Heden dient te worden vastgesteld dat de Beroepscommissie voor Tuchtzaken meer en meer de vaste rechtspraak van de Raad van State bevestigt, waarbij gesteld wordt dat ook een aanhoudende negatieve houding als dergelijke tekortkoming wordt aanvaard.

In een recente beslissing van januari 2016 stelde de Beroepscommissie duidelijk dat, hoewel – alvorens te kunnen spreken van een tuchtfeit – er sprake dient te zijn van een schuldig gedrag of tekortkoming, dit feit ofwel een heel precieze tekortkoming kan zijn ofwel een algemene houding van het betrokken personeelslid. Zo kan een tuchtstraf ook tot doel hebben een algemeen gedrag te straffen, zoals steeds wederkerende relationele problemen tussen het personeelslid en zijn collega’s of een problematische werksituatie.

Hiermee bevestigt de Beroepscommissie uitdrukkelijk de vaststaande rechtspraak van de Raad van State die stelt dat een tuchtbeslissing gebaseerd kan zijn op de onduldbare houding waarbij de betrokken ambtenaar zich in het algemeen negatief gedraagt en waardoor hij het zichzelf onmogelijk heeft gemaakt in de openbare dienst waarvan verwacht mag worden dat hij behoorlijk functioneert, en dat de concrete feiten die hem in de tuchtbeslissing worden aangewreven, alleen maar een illustratie zijn van dat gedrag (zie o.m. RvS 13 juli 1999, nr. 81.765 en RvS 13 april 2000, nr. 86.784). 

Tevens bevestigde de Raad van State reeds dat het aan de tuchtoverheid toegelaten is om over de verschillende feiten te kijken, veeleer naar een globale houding dan naar de voor het betrokken personeelslid specifieke misdragingen (RvS 13 april 2000, nr. 86.784).

Hoe dan ook beschikt de tuchtoverheid over de discretionaire bevoegdheid om te oordelen of het gedrag van een personeelslid als een tekortkoming moet worden beschouwd, ook wanneer geen bepaling die gedraging als een tuchtvergrijp aanmerkt en strafbaar stelt.

De Beroepscommissie kan zich niet in de plaats stellen van de tuchtoverheid bij het beoordelen of feiten als tuchtfeiten kunnen bestempeld worden, maar kan wel controleren of de tuchtoverheid regelmatig tot haar voorstelling van de feiten is gekomen en de feiten naar recht en redelijkheid kon kwalificeren als tuchtvergrijpen uitgaande van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens (zie o.a. ook RvS 23 april 2009, nr. 192.582, Van Quickenborne).

Bijzonder opzet of de intentie om te schaden is niet nodig. Het loutere feit van een tekortkoming aan de beroepsplichten volstaat. Bovendien rust op de tuchtoverheid ook niet de verplichting te bewijzen dat het personeelslid de wil had om schade te berokkenen. 

Om vast te stellen of een feit een tuchtinbreuk is moet worden nagegaan of het personeelslid zelf – hetzij opzettelijk, hetzij door nalatigheid – de schuld draagt voor de verstoring van de goede werking van de dienst door dit feit.

Deze recente tendens in de beslissingen van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken geven blijk van een eerder pragmatische aanpak en bieden aan lokale besturen de mogelijkheid om, ook wanneer zeer specifieke misdragingen ontbreken, een personeelslid te sanctioneren wanneer deze getuigt van een aanhoudende onaanvaardbare ingesteldheid.

Ter info: de uitspraken van de Beroepscommissie voor Tuchtzaken worden jaarlijks bekend gemaakt op de website van het Agentschap voor Binnenlands Bestuur (www.binnenland.vlaanderen.be/tucht) in de vorm van een overzichtslijst met een beknopte samenvatting van de beslissing die de Beroepscommissie heeft genomen in tuchtberoepen.


Auteur: Jente WOUTERS

 

Meer info?
Contacteer Gitte LAENEN

Advocaat-vennoot
Tel. 015/40.49.40 of
gitte.laenen@gdena-advocaten.be