Vlaamse regering keurt (eindelijk) voorontwerp van onteigeningsdecreet goed – De noodzakelijke vernieuwing van de bestaande onteigeningswetgeving in zicht?

Vlaamse regering keurt (eindelijk) voorontwerp van onteigeningsdecreet goed – De noodzakelijke vernieuwing van de  bestaande onteigeningswetgeving in zicht? 

Op 1 juli 2014 heeft de zesde Belgische staatshervorming zich voltrokken, althans voor wat betreft de officiële overdracht aan de deelstaten van (alweer) een nieuwe set bevoegdheden. Vlaanderen werd o.a. bevoegd voor de ‘gerechtelijk procedure voor onteigeningen voor algemeen nut’, nadat ze reeds langer de bevoegdheid had om ook de administratieve onteigeningsfase te regelen. Begin 2015 werden de krijtlijnen van een nieuw onteigeningsdecreet reeds uitgezet, maar bleef het wachten op een concreet (voor)ontwerp van decreet ondanks de vooropgestelde planning. Op 25 maart 2016 heeft de Vlaamse Regering eindelijk haar goedkeuring verleend aan een voorontwerp van een nieuw onteigeningsdecreet.

De bevoegdheidsoverdracht ingevolge de zesde staatshervorming aan de gewesten biedt de ideale gelegenheid om het onteigeningsrecht voor het Vlaams Gewest – hetgeen nu nog vervat ligt in weinig coherente en verouderde federale wetten – te herbekijken en te vereenvoudigen. Zowel het Regeerakkoord 2014-2019, als de beleidsnota Algemeen Regeringsbeleid geven aan met de uitwerking van een Vlaams onteigeningsdecreet ter vervanging van de federale wetten uit 1835, 1926 en 1962 te willen verder gaan. Ook de beleidsnota van de Vlaamse minister bevoegd voor Mobiliteit en Openbare Werken ondersteunt dit. In de conceptnota dd. 13.01.2015 onderschreef de Vlaamse regering niet minder dan 11 krachtlijnen bij de inhoud en het proces van een overkoepelend Vlaams onteigeningsdecreet. Met enige vertraging verleende de Vlaamse regering haar goedkeuring aan een voorontwerp van een nieuw onteigeningsdecreet.  

Een stand van zaken. Wachten op Godot of louter achter op schema?

De conceptnota dd. 13.01.2015 klonk – en op heden nog steeds – erg veelbelovend. Een actualisering, of beter nog herdenking, van de onteigeningsregelgeving is dan ook meer dan nodig. Zo zal met het onteigeningsdecreet o.a. de archaïsche verplichting tot aanplakking van de dagvaarding door de onteigenende overheid ‘op de hoofddeur van de kerk en van het gemeentehuis der plaats waar de goederen gelegen zijn’ verdwijnen. Of hoe de onteigeningsregeling (eindelijk) de 21ste eeuw moet binnentreden.

De vooropgestelde timing om in de eerste jaarhelft van 2015 reeds een voorontwerp van decreet te kunnen voorstellen bleek voorbarig, waardoor de planning om in 2016 een definitief onteigeningsdecreet goed te keuren intussen volledig achterhaald lijkt. Velen kregen reeds de indruk dat het initiatief om het onteigeningsrecht te vernieuwen opnieuw zou uitdraaien op een sisser, tot eind vorige week de Vlaamse regering plots meedeelde een voorontwerp te hebben goedgekeurd. Ondanks de vertraging wijst de recente ontwikkeling erop dat uiterlijk begin 2017 de langverwachte hervorming eindelijk een feit zou kunnen zijn.

 

Op naar een herdenking van de bestaande regelgeving.

De kernidee voor het nieuwe onteigeningsdecreet bestaat in het creëren van een snelle, eenvormige en efficiënte procedure die het evenwicht houdt tussen het belang van overheid om op korte termijn tot realisatie van het onteigeningsdoel over te gaan, en het belang van de burger in de vorm van de garantie op rechtszekerheid en rechtsbescherming.

In de conceptnota aan de Vlaamse Regering dd. 13.01.2015 werden de belangrijkste krijtlijnen van een toekomstige regeling reeds uiteengezet, waaronder een aantal (soms revolutionaire) voorstellen ten opzichte van de bestaande regelgeving. Met als doelstelling een sterke vereenvoudiging te realiseren, zou onder meer de wildgroei aan habilitatiegronden worden aangepakt, en zouden de daarbij horende uiteenlopende administratieve onteigeningsprocedures vervangen worden door één uniforme administratieve onteigeningsprocedure. Het voeren van een openbaar onderzoek naar aanleiding van het vaststellen van onteigeningsplan en de verplichte aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure voorafgaande minnelijke onderhandeling worden daarbij voortaan verplicht opgelegd. Tevens zou behalve een onteigeningsplan en gemotiveerd onteigeningsbesluit ook een projectnota moeten opgemaakt worden teneinde het dossier verder van motivatie te voorzien. Een geïntegreerde en uniforme aanpak zou duidelijk de rechtszekerheid van alle betrokken partijen bevorderen, en zou ook de lokale besturen ten goede komen die vaak met een diversiteit aan rechtsregels worden geconfronteerd.

Eén van de grootste nieuwigheden bestaat erin dat in de toekomst gemeenten en provincies die tot onteigening wensen over te gaan niet langer over een onteigeningsmachtiging moeten beschikken. Nu reeds dient opgemerkt dat dergelijke regeling, hoewel deze zeer pragmatisch lijkt, het voorwerp van discussie uitmaakt in de rechtsleer. Zo zou de onteigeningsmachtiging als decretale verplichting dan wel als vorm van bijzonder administratief toezicht noodzakelijk zijn om de conformiteit met de Grondwet en de BWHI (Bijzondere Wet tot Hervorming der Instellingen) te garanderen, visie die wordt gesteund op het arrest van het toenmalige Arbitragehof (GwH 2 februari 1989, nr. 3/89). Het advies van de Raad van State lijkt op dit punt aangewezen, maar sluit evenmin uit dat in de toekomst door belanghebbenden wordt opgeworpen dat het gebrek aan onteigeningsmachtiging niet conform de BWHI zou zijn en om die reden onwettig. De defederalisering heeft in deze situatie in geen geval een einde gemaakt aan elke rechtsonzekerheid.

Tevens zou het nieuwe onteigeningsdecreet tegemoet komen aan de bestaande onzekerheid met betrekking tot zelfrealisatie. De vaak door onteigenden ingeroepen exceptie van zelfrealisatie kent slechts een beperkt wettelijk kader in de VCRO. Opvallend is dat aan de definitie van zelfrealisatie in de rechtspraak vaak - en ten onrechte - een zeer ruime interpretatie wordt gegeven. De decretale regeling van zelfrealisatie zou de discussies in rechtsleer en rechtspraak wellicht overbodig maken en kan alleen al om die reden worden toegejuicht.

Het definitief onteigeningsbesluit zou in de toekomst enkel nog kunnen aangevochten worden voor een nog op te richten Vlaams administratief rechtscollege dat gespecialiseerd zou zijn in het onteigeningscontentieux, dit in tegenstelling tot de heden bestaande en uitsluitende bevoegdheid van de Raad van State. Opmerking die hierbij dient te worden gemaakt is dat de burgerlijke rechter bevoegd is en blijft voor geschillen omtrent burgerlijke rechten ingevolge art. 144 van de Grondwet. Hoe dan ook zou een partij opnieuw de reeds voor het administratief rechtscollege opgeworpen argumentatie aangaande de wettigheid opnieuw kunnen aanhalen voor de rechter ten gronde, en zou het rechtscollege zich net als de Raad van State onbevoegd dienen te verklaren van zodra de vordering tot onteigening bij de burgerlijke rechter wordt ingesteld. De meerwaarde van de oprichting van een Vlaams bestuursrechtscollege ten opzichte van de bestaande regeling lijkt op het eerste zicht uiterst beperkt.

Na enige twijfel omtrent de bevoegde rechter werd intussen beslist dat de toekomstige gerechtelijke onteigeningsprocedures voor de Vrederechter zouden beslecht worden. Dit in navolging van vandaag bestaande praktijk waarbij het gros van de onteigeningsdossiers reeds bij de Vrederechter werden aanhangig gemaakt op basis van de Onteigeningswet bij hoogdringende omstandigheden dd. 26.07.1962.De reeds opgebouwde expertise van de Vrederechters in de onteigeningsmaterie evenals de gewijzigde werklast (overheveling van bevoegdheden naar Rechtbank van eerste aanleg inzake o.m. dringende en voorlopige maatregelen) zijn ongetwijfeld van doorslaggevend belang geweest bij het nemen van deze beslissing.

Heden wordt het voorontwerp van onteigeningsdecreet voorgelegd aan diverse adviesraden waarna vervolgens ook het advies aan de Raad van State wordt ingewonnen. Ongetwijfeld zal het voorontwerp in de toekomst nog het voorwerp uitmaken van de nodige discussies in het Vlaams halfrond.

 

GD&A Advocaten is gespecialiseerd in het begeleiden van onteigeningsprocedures en voorziet tevens in het geven van opleidingen op maat. Daarnaast volgt GD&A Advocaten de ontwikkelingen uiteraard verder voor u op.

To be continued ! 

Auteurs: Wouter Rubens

              Jordi Serneels


Meer info?
Contacteer Jordi Serneels
Advocaat
Tel. 015/40.49.40 of
jordi.serneels@gdena-advocaten.be

Contacteer Jonas De Wit
Advocaat
Tel. 015/40.49.40 of
jonas.dewit@gdena-advocaten.be