Discriminatie bij kapitaalverminderingen in de BVBA

Discriminatie bij kapitaalverminderingen in de BVBA

De Wet van 22 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Vennootschappen is in strijd met artikel 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die wet niet dezelfde bescherming biedt aan schuldeisers van een BVBA (art. 317 W.Venn.) als aan schuldeisers van een NV (art. 613 W.Venn.). Dat besliste het Grondwettelijk Hof zopas in een arrest van 9 juni 2016, gewezen naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen.

Schuldeisersbescherming bij reële kapitaalverminderingen

 

Het kapitaal van een vennootschap wordt traditioneel beschouwd als een vorm van bescherming (onderpand) voor de schuldeisers van die vennootschap. Gaat de vennootschap in kwestie over tot een kapitaalvermindering, dan heeft dit dus tot gevolg dat ook de bescherming voor de schuldeisers afneemt.

 

Om hieraan tegemoet te komen, voorziet het Wetboek van Vennootschappen een specifiek beschermingsmechanisme voor schuldeisers, het zogenaamde “garantierecht”:  wanneer een kapitaalvermindering gepaard gaat met een terugbetaling aan de aandeelhouders of een (gehele of gedeeltelijke) kwijtschelding van hun volstortingsschuld, dan hebben de schuldeisers het recht om een bijkomende zekerheid te eisen (art. 317 W.Venn. (BVBA); art. 426 W.Venn. (CVBA) en art. 613 W.Venn. (NV)).

 

Dit garantierecht komt echter enkel toe aan schuldeisers wiens schuldvordering voldoet aan bepaalde voorwaarden. Hoewel die voorwaarden (uitdrukkelijk vermeld in de respectievelijke wetsbepalingen) op het eerste zicht duidelijk lijken, gaven die in de praktijk vaak aanleiding tot discussie.

 

Jarenlange discussies

 

Tot voor kort (vóór de Wet van 22 november 2013) waren de voorwaarden voor het garantierecht voor elk van bovenvermelde vennootschapsvormen op dezelfde manier geformuleerd. Schuldeisers konden enkel een bijkomende zekerheid eisen naar aanleiding van een kapitaalvermindering indien zij beschikten over een vordering die:

 

i)              ontstaan is vóór de bekendmaking van het besluit tot kapitaalvermindering, en;

ii)             op het tijdstip van die bekendmaking nog niet vervallen (opeisbaar) was.

 

De toepassing van die voorwaarden bleek problematisch voor schuldeisers wiens vordering het voorwerp uitmaakte van een hangende gerechtelijke procedure, de zogenaamde “vorderingen sub iudice”.

 

In de eerste plaats zullen dergelijke procedures immers vaak betrekking hebben op het al dan niet bestaan van de vordering, waarbij de verwerende vennootschap vaak het bestaan van de vordering betwist. Lopende de procedure is het bestaan van de vordering dus onzeker, waardoor geargumenteerd kan worden dat de schuldeiser niet voldoet aan de eerste voorwaarde zolang het bestaan van de vordering niet definitief vastgesteld werd.

 

Wordt het bestaan van de vordering uiteindelijk toch vastgesteld (gegrond verklaard) door de rechter, dan riskeert de schuldeiser echter vast te lopen op de tweede voorwaarde. Juridisch gezien, heeft een rechterlijke uitspraak immers een louter declaratoir karakter. De rechterlijke uitspraak doet de vordering dus niet ontstaan, maar stelt enkel het bestaan ervan vast en dit retroactief tot op de datum van het instellen van de vordering. Een rechterlijke toekenning van de vordering bevestigt in principe dus dat de vordering reeds bestond én opeisbaar was op het moment dat die ingesteld werd door de schuldeiser. Werd de vordering ingesteld vóór de bekendmaking van het besluit tot kapitaalvermindering, dan bevestigt de rechterlijke uitspraak in principe dus dat de vordering niet voldoet aan de tweede voorwaarde voor het garantierecht.

 

Doordat de meerderheid van de rechtspraak voormelde rechtsprincipes strikt toepaste, werd de schuldeisersbescherming de facto sterk uitgehold en bleven schuldeisers met een vordering sub iudice in de kou staan.

 

  

Onzorgvuldige tussenkomst van de wetgever

 

Met de Wet van 22 november 2013 heeft de wetgever getracht om een einde te maken aan voormelde uitholling van de schuldeisersbescherming, door het garantierecht ook uitdrukkelijk te voorzien voor vorderingen sub iudice. Zodoende werd het toepassingsgebied van het garantierecht uitgebreid tot “de schuldvorderingen waarvoor in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld vóór de algemene vergadering die zich over de kapitaalvermindering moet uitspreken” (zie art. 2 Wet 22 november 2013, BS 16 december 2013).

 

Daarbij werd echter enkel de bepaling voor de NV (art. 613 W.Venn.) aangepast. De analoge bepalingen voor de BVBA (art. 317 W.Venn.) en CVBA (art. 426 W.Venn.) bleven ongewijzigd, met als gevolg dat er een afwijkende regeling ontstond voor de NV in vergelijking met de andere vennootschapsvormen.

 

De wetswijziging werd dan ook fel bekritiseerd in de rechtsleer. Aangezien er weinig argumenten denkbaar zijn die dergelijk verschil in schuldeisersbescherming zouden kunnen rechtvaardigen, werd overwegend aangenomen dat het om een loutere onzorgvuldigheid/vergetelheid van de wetgever ging. Verschillende rechtsauteurs merkten daarbij op dat het verschil in schuldeisersbescherming moeilijk verenigbaar leek met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel, en dat een spoedige rechtzetting door de wetgever aangewezen was.

 

 

Prejudiciële vraag

 

Recent kreeg ook het Grondwettelijk Hof de kans om zich over de kwestie uit te spreken. Aanleiding daartoe was een kapitaalvermindering in een BVBA, waarbij een schuldeiser – naar aanleiding van de kapitaalvermindering – een bijkomende zekerheid vroeg voor een vordering die zij had ingesteld in een gerechtelijke procedure.

 

De BVBA was evenwel niet akkoord met dergelijke bijkomende zekerheid. In de daaropvolgende procedure bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen verwees de BVBA naar de strenge  rechtspraak omtrent het toepassingsgebied van het garantierecht, om te stellen dat het garantierecht niet van toepassing is voor vorderingen sub iudice en dat de schuldeiser bijgevolg geen aanspraak kon maken op een bijkomende zekerheid.

 

Wat betreft de recente wetswijziging (Wet van 22 november 2013), argumenteerde de BVBA dat die wetswijziging enkel van toepassing is voor kapitaalverminderingen in een NV (art. 613 W.Venn.) en niet in een BVBA. De schuldeiser van zijn kant argumenteerde dat er sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel, en dat artikel 317 W.Venn. naar analogie moest worden gelezen/toegepast met betrekking tot vorderingen sub iudice.

 

De voorzitter van de rechtbank van koophandel te Antwerpen besloot om de kwestie voor te leggen aan het Grondwettelijk Hof, en stelde volgende prejudiciële vraag:

 

“Schendt de Wet van 22 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, wat de waarborgen van de schuldeisers bij een kapitaalherschikking betreft, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij enerzijds een zekerheidsstelling mogelijk maakt voor de schuldvorderingen ten aanzien van een NV die besloten heeft tot kapitaalvermindering, waarvoor in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld voor de algemene vergadering die zich over de kapitaalvermindering moet uitspreken (wijziging van art. 613 W.Venn.) en voor in rechte betwiste schuldvorderingen ten aanzien van herstructurerende vennootschappen (wijziging van de artt. 686 en 767 W.Venn.) (*), terwijl niet in diezelfde mogelijkheid werd voorzien wat betreft in rechte betwiste vorderingen ten aanzien van andere vennootschapsvormen (waaronder de BVBA) die besluiten tot kapitaalsvermindering (geen wijziging van art. 317 W. Venn.)?”.

 

(*) opmerking: bij de verwijzing naar de wetsartikelen zoals opgenomen in de prejudiciële vraag bleek er sprake van een materiële vergissing, in die zin dat de prejudiciële vraag mede betrekking heeft op de artikelen 684 en 766 W.Venn. (en dus niet art. 686 en 767 W.Venn.).

 

 

Schending van het gelijkheidsbeginsel

 

In de procedure voor het Grondwettelijk Hof argumenteerde de Ministerraad onder meer dat de schuldeisers van een BVBA en NV niet vergelijkbaar zijn, en dat de verschillende vennootschapsvormen elk aan verschillende noden uit de praktijk beantwoorden. Hetgeen aldus zou verantwoorden dat elke vennootschapsvorm aan specifieke regels onderworpen wordt.

 

Het Grondwettelijk Hof volgt die stelling echter niet. Het feit dat de schuldeisersbescherming in het verleden (vóór de wet van 22 november 2013) reeds op eenzelfde wijze geregeld werd voor de BVBA en de NV, wijst volgens het Hof op de bedoeling van de wetgever om de schuldeisers van beide vennootschapsvormen op gelijke wijze te beschermen tegen de mogelijke gevolgen van kapitaalverminderingen.

 

Voorts stelt het Hof vast dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 22 november 2013 geen verantwoording geeft voor het verschil in behandeling tussen beide categorieën van schuldeisers. De parlementaire voorbereiding spreekt enkel in algemene termen over de noodzaak om te voorzien in een betere bescherming voor schuldeisers wiens vordering in rechte betwist wordt.

 

Er bestaat dan ook geen redelijke verantwoording voor het feit dat de uitbreiding van de schuldeisersbescherming door de wet van 22 november 2013 enkel geldt voor de NV en niet voor de BVBA. Het verschil in behandeling berust niet op pertinent criterium van onderscheid, en heeft onevenredige gevolgen voor de schuldeisers van een BVBA.

 

Gelet op het voorgaande, komt het Grondwettelijk Hof in het arrest van 9 juni 2016 dan ook tot het besluit dat er inderdaad sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel:

 

De wet van 22 november 2013 “tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen, wat de waarborgen van de schuldeisers bij een kapitaalherschikking betreft” schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij aan de schuldeisers bedoeld in artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Vennootschappen niet het recht verleent om, niettegenstaande enige andersluidende bepaling, een zekerheid te eisen voor de schuldvorderingen waarvoor in rechte of via arbitrage een bezwaar werd ingesteld vóór de algemene vergadering die zich over de kapitaalvermindering moet uitspreken.”

 

 

Grondwetsconforme interpretatie van art. 317 W.Venn.

 

Het Grondwettelijk Hof is van mening dat de vaststelling van de lacune voldoende duidelijk nauwkeurig en volledige is voor een grondwetsconforme interpretatie, zodat het aan de verwijzende rechter toekomt om een einde te maken aan de schending van het gelijkheidsbeginsel.

 

 

Schuldeiserbescherming bij herstructurering

 

Aangezien het onderliggende geschil enkel betrekking had op een reële kapitaalvermindering in een BVBA, beperkte het Grondwettelijk Hof haar onderzoek en uitspraak tot de toepassing van artikel 317 W.Venn. Het tweede deel van de prejudiciële vraag (betreffende de schuldeisersbescherming bij herstructurering van vennootschappen door fusie/splitsing of inbreng) werd dus niet verder behandeld. Bovenvermelde vaststellingen lijken evenwel ook naar analogie toepasbaar op die hypotheses.

 

 

Auteurs:      Sam Van Asch

Kris Van den Broeck

Meer info?
Contacteer Kris VAN DEN BROECK
Advocaat
015/40.49.40 of kris.vandenbroeck@gdena-advocaten.be 

Contacteer Bert DE KEYSER
Advocaat-vennoot
015/40.49.40 of bert.dekeyser@gdena-advocaten.be