Een tweede kans voor afgewezen erkenningskalenders?

Een tweede kans voor afgewezen erkenningskalenders?

 
23 september 2016

Na een relatieve windstilte heeft de Vlaamse Regering zich nogmaals geroerd in de saga van de erkenningskalender. De afwijzing van een aantal erkenningskalenders voor het jaar 2017 was voor tal van initiatiefnemers een serieuze streep door de rekening. Bovendien werd bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 november 2015 ook een moratorium ingevoerd om bijkomende erkenningskalenders in te dienen voor de jaren 2018 en 2019. Dit moratorium werd evenwel gematigd door in hetzelfde besluit gewag te maken van de mogelijkheid voor de bevoegde minister om een oproep te doen voor bepaalde woongelegenheden om vooralsnog een erkenningskalender in te dienen. De modaliteiten voor een dergelijke oproep worden nu, tien maanden later, geregeld in het besluit dat de Vlaamse Regering op datum van 16 september 2016 heeft goedgekeurd.

Het betrokken besluit van 16 september jl. van de Vlaamse Regering houdende de bepalingen van voorwaarden voor een bijzondere oproep om voor bepaalde woongelegenheden een erkenningskalender in te dienen en tot wijziging van de regelgeving betreffende de voorafgaande vergunning voor centra voor kortverblijf en woonzorgcentra en het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2015 betreffende het aantal te erkennen woongelegenheden voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf in het kader van de erkenningskalender, werd vooralsnog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en is bijgevolg nog niet in werking getreden.
Ook betreft dit besluit op zich geen oproep van de minister, maar regelt het enkel de nadere modaliteiten op basis waarvan de minister een oproep zou kunnen doen.
Zodoende biedt een analyse van het besluit van 16 september jl. de mogelijkheid om alvast eens na te gaan of een oproep van de minister een afdoende oplossing kan betekenen voor al de initiatiefnemers wiens erkenningskalender, ofwel ingevolge de jaarlijkse maxima voor nieuwe woongelegenheden uit het capaciteitsbesluit van 24 april 2015, ofwel ingevolge het moratorium uit het besluit van 13 november 2015 om nog erkenningskalender voor 2018 of 2019 in te dienen, werd afgewezen.
Vooreerst blijkt uit artikel 3 van het besluit dat enkel de volgende categorieën van woongelegenheden in aanmerking komen voor een oproep van de minister:

1. De woongelegenheden die behoren tot de pilootprojecten (geselecteerd bij ministerieel besluit van 6 maart 2013);

2. De woongelegenheden:

waarvan de aangevraagde  erkenningskalender voor 2017 werd afgewezen of werd uitgesteld naar een later trimester, en dit bij het besluit van de administrateur-generaal van 26 juni 2015 of bij het besluit van de administrateur-generaal van 15 december 2015 / ministerieel besluit van 11 december 2015 (ingevolge het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2015);

én

waarvan het bewijs wordt geleverd dat uiterlijk op 30 april 2015 gestart werd met de bouwwerken voor de realisatie van die woongelegenheden;

3. De woongelegenheden waarvoor nog geen erkenningskalender werd ingediend en waarvan het bewijs wordt geleverd dat uiterlijk op 30 april 2015 gestart werd met de bouwwerken voor de realisatie van die woongelegenheden.

Indien de minister gebruik zal maken van zijn oproepmogelijkheid, dan zal deze betrekking hebben op één van de drie voormelde categorieën van woongelegenheden.

Lijken aldus bij voorbaat uitgesloten bij een toekomstige oproep: de initiatiefnemers met een afgewezen erkenningskalender voor 2018 of later en de initiatiefnemers met een afgewezen erkenningskalender voor 2017 die niet behoren tot de genoemde pilootprojecten en die geen bewijs kunnen leveren dat zij uiterlijk op 30 april 2015 zijn gestart met de bouwwerken.

Omtrent het bewijs dat de initiatiefnemers moeten leveren om aan te tonen dat zij uiterlijk op 30 april 2015 met de bouwwerken zijn gestart, wordt in artikel 5 derde lid van het besluit gespecifieerd dat zij hiertoe minstens twee van de volgende bewijsstukken zullen dienen bij te brengen:

1. Het bevel tot aanvang van de werken;

2. Tegenstelbare documenten over de vordering van de werken, zoals een dagboek van de werken of werfverslagen;

3. Aanvaarde vorderingsstaten;

4. Facturen en betalingsbewijzen;

5. Het bewijs van verkrijging van het eigendomsrecht of een zakelijk of genotsrecht op een al bestaande infrastructuur;

Voorts wordt in het besluit (artikel 4) bepaald voor welke jaren de initiatiefnemers met woongelegenheden die in aanmerking komen, een erkenningskalender kunnen indienen.

De initiatiefnemers die behoren tot de categorie van de pilootprojecten (de eerste categorie) kunnen een erkenningskalender indienen voor zowel 2017 als 2018.

De initiatiefnemers met woongelegenheden uit de tweede en de derde categorie kunnen in beginsel enkel een erkenningskalender indienen voor 2018. Indien deze initiatiefnemers echter het bewijs kunnen leveren dat de ruwbouw van hun woongelegenheden uiterlijk op 30 april 2015 was gerealiseerd, kunnen zij per uitzondering een erkenningskalender indienen voor 2017.

De Vlaamse Regering voorziet in het besluit tevens alvast in een verhoogde capaciteit voor nieuwe woongelegenheden. Alzo wordt in artikel 12 de bestaande jaarlijkse capaciteit voor de jaren 2017 en 2018 (zoals vastgesteld in het capaciteitsbesluit van 24 april 2015) verhoogd.

De huidige capaciteit van 2017 en 2018 wordt in beginsel verhoogd met het aantal woongelegenheden waarvoor daadwerkelijk een erkenningskalender zal worden ingediend, doch dit tot maximaal 1.389 woongelegenheden voor de beide jaren samen.

Gezien dit maximum van nieuwe woongelegenheden van 1.389 voor 2017 én 2018, zullen er ook op de ingediende erkenningskalenders na oproep van de minister, prioriteringscriteria worden toegepast. Specifieke prioriteringscriteria die in artikel 6 tweede lid van het besluit van 16 september jl. worden bepaald, luiden als volgt

1° er wordt een hogere prioriteit gegeven aan de woongelegenheden die behoren tot de pilootprojecten, vermeld in artikel 3, 1°, van dit besluit, dan aan de woongelegenheden die geen deel uitmaken van die projecten;

2° binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 1°, krijgen de woongelegenheden waarvan de aangevraagde erkenningskalender voor 2017 door het besluit van de administrateur-generaal van 26 juni 2015 tot de goedkeuring, wijziging of afwijzing van erkenningskalenders voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf of het besluit van de administrateur-generaal van 15 december 2015 betreffende het bezwaar tegen het besluit van de administrateur-generaal van 26 juni 2015 tot de goedkeuring, wijziging of afwijzing van erkenningskalenders voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf, of door het ministerieel besluit van 11 december 2015 betreffende het bezwaar tegen het besluit van de administrateur-generaal van 26 juni 2015 tot de goedkeuring, wijziging of afwijzing van erkenningskalenders voor woonzorgcentra en centra voor kortverblijf, is afgewezen of uitgesteld naar een later trimester, een hogere prioriteit dan de woongelegenheden waarvoor nog geen erkenningskalender is ingediend;

3° binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 2°, krijgen de woongelegenheden die zijn aangewezen voor erkenning in een trimester dat volgt op het trimester, vermeld in de ingediende erkenningskalender, een hogere prioriteit in dat trimester dan woongelegenheden waarvoor de ingediende erkenningskalender hetzelfde trimester vermeldt;

4° binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 3°, wordt per trimester prioriteit verleend aan woongelegenheden in zorgregio's waarin de verhouding tussen enerzijds het aantal woongelegenheden dat erkend is of waarvan de erkenningskalender al goedgekeurd is, en anderzijds de som van de programmacijfers van de gemeenten binnen de zorgregio het laagst is;

5° binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 4°, wordt per trimester prioriteit verleend aan woongelegenheden in de gemeente waarin de verhouding tussen enerzijds het aantal woongelegenheden dat erkend is of waarvan de erkenningskalender al goedgekeurd is, en anderzijds het programmacijfer binnen de gemeente het laagst is;

6° binnen de categorieën van woongelegenheden, vermeld in punt 5°, wordt per trimester prioriteit verleend aan woongelegenheden waarvan de erkenningskalender de verhouding tussen enerzijds het aantal woongelegenheden dat erkend is of waarvan de erkenningskalender al goedgekeurd is, en anderzijds het programmacijfer binnen de gemeente, het meest invult.”

Het Agentschap Zorg en Gezondheid zal bij het onderzoek van de ingediende erkenningskalenders aldus deze prioriteringscriteria achtereenvolgens toepassen, indien de bijkomende capaciteit van 1.389 woongelegenheden voor 2017 en 2018 wordt overschreden.

Voormeld maximum aan bijkomende capaciteit en 'nieuwe' prioriteringscriteria maken dan ook dat een ingediende erkenningskalender na oproep van de minister opnieuw uit de boot zou kunnen vallen.

Een garantie dat een ingediende erkenningskalender voor 2017 of 2018 ingevolge een oproep van de minister daadwerkelijk zal leiden tot een goedkeuring door de Administrateur-Generaal, is er dus niet.

In de aanhef van het besluit wordt gesteld dat de Vlaamse Regering met het besluit van 16 september 2016 wil tegemoetkomen aan de verzuchtingen van de initiatiefnemers in een precaire situatie maar dat deze oefening binnen de beschikbare begrotingskredieten moet geschieden.

Naast het regelen van de modaliteiten van een oproep van de minister, voorziet het besluit eveneens in een verlenging van rechtswege van alle voorafgaande vergunningen voor nieuwe woongelegenheden en woongelegenheden kortverblijf tot en met 31 december 2025.

Deze verlenging is op zichzelf niet negatief, maar een verlenging tot 2025 zou er mogelijks op kunnen wijzen dat de opschorting voor het indienen van een erkenningskalender nog wordt verlengd tot na 2019, hetgeen de realisatie van nieuwe woongelegen voor initiatiefnemers die niet in aanmerking komen voor een oproep van de minister, of na toepassing van de prioriteringscriteria opnieuw afgewezen worden, nog meer op de lange baan zou schuiven.

Auteurs: Niels Van Eygen en Janina Vandebroeck

Meer info?

Contacteer Stéphanie TAELEMANS
Advocaat
015/40.49.40 of stéphanie.taelemans@gdena-advocaten.be