Nieuwe Onteigeningsdecreet in zicht: op naar het Vlaams Parlement

Nieuwe Onteigeningsdecreet in zicht: op naar het Vlaams Parlement

10 november 2016

Met de Zesde Staatshervorming werd Vlaanderen bevoegd om de gerechtelijke procedure te bepalen die van toepassing is bij een onteigening ten algemene nutte. Het stond dan ook in de sterren -minstens de verschillende beleidsdocumenten- geschreven dat de Vlaamse overheid deze mogelijkheid ging uitputten om tot een nieuwe overkoepelende onteigeningsregeling voor alle onteigeningen binnen het Vlaamse Gewest te komen, ter vervanging van de bestaande federale onteigeningswetten.

Recentelijk werd binnen dit wetgevend initiatief opnieuw een belangrijke horde genomen. Nadat het advies van de Raad van State werd bekomen keurde de Vlaamse Regering op 21 oktober 2016 het ontwerp van decreet betreffende onteigening voor het algemeen nut definitief goed. Na meer dan een jaar zwoegen sinds de conceptnota zijn de decretale teksten eindelijk klaar om door het Vlaams Parlement te worden gestemd.

Pro memorie: doelstellingen

Stellen dat het huidige federale wetgevende kader diffuus en verouderd is, is een open deur intrappen. Zo dateren de federale onteigeningswetten reeds van respectievelijk 1835, 1870, 1926 en 1962 zonder terdege op elkaar te zijn afgestemd. Eén van de objectieven van het nieuwe decreet bestaat er dan ook in om tot één overkoepelend decreet en procedure te komen voor alle onteigeningen binnen het Vlaamse Gewest.

Dit met als doel de regeldruk te verminderen, de procedures te vereenvoudigen en te versnellen en de rechtszekerheid voor alle betrokkenen te verhogen. Zowel de belangen van de overheden die een project van algemeen belang wensen te realiseren als de belangen van de burgers naar rechtszekerheid en rechtsbescherming toe worden daarbij voor ogen gehouden.

Daarbij vormt het uitgangspunt dat de onteigening een bijzonder rechtsmiddel uitmaakt en bijgevolg een subsidiair karakter heeft.

Nieuw!

Algemeen

Na een aantal algemene bepalingen en decretale -enigszins overbodige- verankering van de grondwettelijke onteigeningsvoorwaarden (algemeen nut, wettelijke grondslag, noodzaak, billijke voorafgaande schadeloosstelling), voorziet het ontwerpdecreet in een limitatieve oplijsting van instanties die bevoegd zijn om tot onteigening over te gaan. Naast gemeenten en provincies worden ook de OCMW's, autonome gemeentebedrijven (AGB) en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (IGS) opgenomen.

De onteigeningsbevoegdheid van deze zeer diverse, publiekrechtelijke instanties wordt daarmede vastgelegd.

Ook wordt expliciet voorzien dat wanneer op een onroerend goed een afzonderlijk zakelijk recht rust, dit recht afzonderlijk kan worden onteigend.

Verruiming mogelijkheden gemeenten

Belangrijke vernieuwing voor de gemeenten bestaat erin dat zij niet langer een voorafgaandelijke machtiging nodig hebben van de bevoegde Minister vooraleer zij tot onteigening kunnen overgaan. Zowel de Vlaamse Regering, de gemeenten en provincies worden hiervan vrijgesteld en genieten van een grote autonomie.

Ook voor de overige lokale instanties die bevoegd worden verklaard om tot onteigening over te gaan, wordt het machtigingstoezicht georganiseerd op hetzelfde bestuurlijke niveau. Zo zal een OCMW, AGB of IGS slechts een definitief onteigeningsbesluit kunnen nemen indien zij daartoe door de gemeenteraad van de gemeente op wiens grondgebied het voorwerp van de onteigening zich bevindt, gemachtigd werd. De overige bevoegde rechtspersonen, zoals polders, ruilcomités en sociale huisvestingsmaatschappijen moeten zich wel nog tot de Vlaamse Regering wenden om een machtiging te bekomen.

Bijkomend wordt een algemene grondslag geboden aan gemeenten en provincies om tot onteigening over te gaan in de gevallen waarin dit noodzakelijk is voor de uitwerking van de infrastructuur of het beleid inzake gemeentelijke respectievelijk provinciale aangelegenheden. De voordien betwiste algemene habilitatiegrond ex het Gemeente- dan wel Provinciedecreet wordt hiermede bevestigd. De overige instanties dienen wel nog steeds over een specifieke rechtsgrond te beschikken welke een onteigening toelaat.

Concreet kunnen gemeenten bijgevolg voor gemeentelijke aangelegenheden tot onteigening overgaan zonder daartoe door de hogere overheid gemachtigd te hoeven worden, uiteraard mits de fundamentele basisvoorwaarden daartoe voldaan zijn.

Bestuurlijke fase

In een derde titel wordt de bestuurlijke en gerechtelijke fase geregeld. Daarbij dient verplicht een onteigeningsplan en projectnota te worden opgesteld. Deze worden na het voorlopig onteigeningsbesluit hierover verplicht aan een openbaar onderzoek onderworpen, waarna een definitief onteigeningsbesluit kan worden genomen. Opnieuw wordt in de mogelijkheid voorzien om deze procedure te integreren in de opmaakprocedure van een ruimtelijk uitvoeringsplan, projectbesluit of rooilijnplan.

Daarbij wordt de verplichting ingeschreven om een 'aantoonbare poging' te ondernemen om het onroerend goed minnelijk te verwerven. Het laat zich raden dat dit begrip tot heel wat discussies zal leiden.

Tevens wordt het zelfrealisatiebeginsel wettelijk verankerd, waarbij de eigenaar het recht heeft om tijdens het openbaar onderzoek een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen. Nadien zal dit verzoek gestaafd dienen te worden, waarna de overheid dit dient te behandelen. Opgemerkt dient daarbij dat het recht om een verzoek tot zelfrealisatie in te dienen niet het recht om zelf te realiseren impliceert. De verzoeker zal immers dienen aan te tonen dat hij bereid en in staat is om de doelstelling van algemeen nut te realiseren zoals voorzien door de onteigenende instantie.

Tot slot wordt binnen de Raad voor Vergunningsbetwistingen een gespecialiseerde onteigeningskamer voorzien die bevoegd wordt voor beroepen tegen de definitieve onteigeningsbeslissing. De Raad achtte zich alvast in staat om deze bijkomende dossiers binnen redelijke termijn te behandelen. Zodra de gerechtelijke procedure wordt aangevat, zal dit -net zoals dit vandaag het geval is- tot de onbevoegdheid in hoofde van de Raad leiden.

Gerechtelijke fase

Vandaag beheersen drie federale wetten de gerechtelijke fase die afhankelijk van de gekozen procedure plaatsvindt voor de Vrederechter dan wel de Rechtbank van Eerste Aanleg.

In het ontwerpdecreet wordt geopteerd voor één gerechtelijke procedure voor alle onteigeningen met de Vrederechter als bevoegde instantie. Dit na een werklastmeting van de FOD Justitie alsook vanuit de overweging dat de Vrederechter kort bij de problematiek staat, over de nodige expertise beschikt alsook de procedure sneller kan verlopen.

De zaak wordt daarbij middels dagvaarding (en niet langer verzoekschrift) aanhangig gemaakt. Nadien wordt de procedure gesplitst en wordt eerst de wettigheid van de onteigening beoordeeld, om vervolgens de definitieve onteigeningsvergoeding te bepalen.

Rode draad doorheen de nieuwe procedure is dat in korte behandelings- en beslissingstermijnen wordt voorzien, hetgeen tot een kortere doorlooptijd moet leiden. Vraag is of dit in de praktijk werkbaar en haalbaar zal zijn.

Tot slot worden nog een aantal principes uit de rechtspraak verankerd, zoals het principe van doel- of planologische neutraliteit bij het bepalen van de vergoeding. Ook wordt in een recht van wederoverdracht dan wel overname van het restant voorzien.

Timing?

Voorzien is om het ontwerpdecreet nog dit jaar in het Vlaams Parlement te laten stemmen, om vervolgens in het Belgisch Staatsblad te worden gepubliceerd.

De effectieve inwerkingtreding zal echter nog op zich laten wachten, gezien het decreet slechts in werking treedt op een door de Vlaamse Regering te bepalen datum. Eerst dienen bijgevolg nog de nodige uitvoeringsbesluiten te worden opgesteld, onder meer met betrekking tot de machtigingsprocedure, de organisatie van het openbaar onderzoek en de modaliteiten van het verzoek tot zelfrealisatie.

Bedoeling is dat de Vlaamse Regering hiermee in het voorjaar van 2017 aan de slag gaat, waarna het decreet -hopelijk- in loop van 2017 in werking treedt.
 
GD&A Advocaten is gespecialiseerd in het begeleiden en voeren van onteigeningsprocedures en voorziet daarbij eveneens in opleidingen op maat. GD&A Advocaten is dan ook bij uitstek geplaatst om u met al uw vragen en bekommernissen bij te staan.

Auteur: Bas Van Olmen
             Jonas De Wit


Meer info?
Contacteer Jonas De Wit

Advocaat
Tel. 015/40.49.40 of jonas.dewit@gdena-advocaten.be