De aanbestedende overheid heeft het laatste woord om te bepalen of er al dan niet sprake is van een zuiver materiële fout in een offerte

De aanbestedende overheid heeft het laatste woord om te bepalen of er al dan niet sprake is van een zuiver materiële fout in een offerte

8 december 2016

Middels een arrest van 2 augustus 2016 beklemtoont de Raad van State het bestaan van de mogelijkheid tot rechtzetting van een materiële fout in een offerte. Dat een rekenfout in een offerte onderdeel is van een “voorbedachte tactiek” van een inschrijver mag niet zonder meer vermoed worden - dergelijk speculatief oogmerk dient aangetoond te worden door de aanbestedende overheid. Het verkeerd plaatsen van een komma wordt aanzien als een zuiver materiële fout.

In het kader van de verplichting van de aanbestedende overheid om de regelmatigheid van offertes van de geselecteerde inschrijvers te controleren, dient zij overeenkomstig artikel 96, §1 van het koninklijk besluit plaatsing van overheidsopdrachten in klassieke sectoren van 15 juli 2011 (voorts: KB Plaatsing) de rekenfouten en de zuiver materiële fouten in offertes te verbeteren. De aanbestedende overheid is echter niet aansprakelijk voor niet-ontdekte fouten. Bij het beoordelen of er sprake is van een rekenfout of een zuiver materiële fout heeft de aanbestedende overheid een beoordelingsvrijheid: het staat zo aan haar om uit te maken of, in het licht van de concrete omstandigheden, het al dan niet aannemelijk is dat er sprake is van een zuiver materiële fout en of al dan niet duidelijk is wat de werkelijke bedoeling van de inschrijver was bij het begaan van deze fout.

In het arrest van 2 augustus 2016, nr. 235.578, werd de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid gevorderd van de gunningsbeslissing van de raad van bestuur van Maatschappij Linkerscheldeoever om de opdracht te gunnen aan nv Aannemingen Van Wellen.

De feiten waren als volgt: de verwerende partij schreef een overheidsopdracht voor de aanneming van werken uit voor de 'Aanleg wegenis en aanhorigheden t.h.v. het Logistiek Park Waasland fase West - fase A te Beveren (Waaslandhaven)'. Zij koos voor de procedure van de open aanbesteding als gunningswijze. Deze keuze impliceert dat er sprake is van slechts één gunningscriterium, namelijk de prijs. Aan de inschrijver met de laagste regelmatige offerte moet de overheidsopdracht worden gegund.

Bij het bestek werd een samenvattende meetstaat gevoegd die door inschrijvers diende te worden ingevuld. De aanbestedende overheid stelde bij het onderzoek van de offertes vast dat de inschrijver nv Aannemingen Van Wellen voor post nr. 64 “Grondwerk voor de bouwput” een eenheidsprijs had opgegeven die meer dan 900 % afweek van de gemiddelde inschrijvingsprijs voor deze post. Verwerende partij vroeg in toepassing van artikel 96, §4, KB Plaatsing aan de desbetreffende inschrijver om verduidelijking te verschaffen bij de opgegeven eenheidsprijs voor post 64.

De inschrijver in kwestie beantwoordde voormeld vraag met een ter post aangetekend schrijven, waarin zij de nodige toelichting verschafte omtrent de onduidelijkheid. De nv Aannemingen Van Wellen verklaarde meer bepaald dat er sprake was van een materiële fout door het verkeerd plaatsen van de komma. De eenheidsprijs van post 64 van de offerte van Van Wellen werd op basis van deze verduidelijking door de aanbestedende overheid verbeterd en aangepast van 1.714,68 euro per m³ naar 17,15 euro per m³.

Deze verbetering had echter tot gevolg dat de offerte van verzoekende partij - voorheen gerangschikt als eerste - nu gerangschikt werd op de tweede plaats. Na de correctie had de offerte van nv Aannemingen Van Wellen immers de laagste totaalprijs.

Bovenstaande resulteerde in het gunnen van de opdracht aan de nv Aannemingen Van Wellen op 29 juni 2016. Op 30 juni 2016 werd aan verzoekende partij met een aangetekend schrijven meegedeeld dat de opdracht aan een andere inschrijver werd gegund.

Verzoekende partij was hier niet mee gediend en adieerde de Raad van State. Ze voerde in een eerste middel de schending aan van de artikelen 95 en 96 KB Plaatsing en van de volgende beginselen: patere legem quam ipse fecisti-beginsel, het gelijkheidsbeginsel, het materiëlemotiveringsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het uitgangspunt van haar eerste middel betrof de suggestie dat het opwerpen van de vermeende materiële fout door de gekozen inschrijver het voorwerp uitmaakte van een voorbedachte tactiek teneinde de overige inschrijvers alsnog te kunnen overtroeven. Verzoekende partij meende ten stelligste dat de verwerende partij de ingediende prijsofferte had moeten weren wegens substantieel onregelmatig.

De Raad van State constateerde echter dat de verzoekende partij niet aantoonde dat de verwerende partij niet tot haar bovenstaand oordeel mocht komen. Bovendien stelde de Raad van State vast dat de per vergissing vermelde eenheidsprijs voor post 64 van 1.714,68 euro per m³ niet alleen veel hoger lag dan de gemiddelde inschrijvingsprijs, maar tevens correspondeerde met de volgens de gekozen inschrijver juiste prijs van 17,15 euro. Uit de totaalprijs vermeld in de prijscalculatietabel die nv Aannemingen Van Wellen bij haar antwoordschrijven van 12 mei 2016 had gevoegd, bleek laatst vermeld bedrag correct te zijn. Dit kon eveneens afgeleid worden uit de som van de verschillende in de tabel opgenomen deelprijzen dewelke resulteerde in een gezamenlijke prijs van 17,15 euro per m³.

De Raad van State oordeelde aldus dat er sprake was van een pure materiële vergissing, de verwoede pogingen van verzoekende partij om het tegendeel te beweren ten spijt.

Aantijgingen in de zin dat er sprake zou zijn geweest van een speculatief oogmerk of van kwade trouw mogen volgens de Raad niet zonder meer worden vermoed, behoudens uitdrukkelijk andersluidende wettelijke of reglementaire bepaling. Een aanbestedende overheid die een offerte om die redenen zou willen weren, moet het speculatief oogmerk of de kwade trouw in hoofde van de betrokken inschrijver kunnen aantonen. De Raad van State oordeelde dat de insinuaties van de verzoekende partij omtrent enige speculatie of kwade trouw terecht door de verwerende partij van tafel werden geveegd. Zo haalde verwerende partij terecht aan dat het initiatief van de prijsverantwoording van haar kwam en dat de gekozen inschrijver geen voorkennis had van de eenheidsprijzen voor post 64. De aanbestedende overheid heeft aldus zorgvuldig gehandeld.

In tweede middel haalde verzoekende partij tevergeefs aan dat de gekozen inschrijver geen regelmatige offerte heeft ingediend en dat, indien de verwerende partij zorgvuldiger gehandeld had, zij de inschrijver in kwestie om die reden had moeten weren. De Raad volgde ook voor dit middel de redenering van verzoekende partij niet en haalde aan dat de aanbestedende overheid juist wel correct gehandeld heeft door een prijsonderzoek te voeren en door de inschrijver om verduidelijkingen te vragen.

De mogelijkheid tot rechtzetting van een materiële fout - zoals het verkeerd plaatsen van een komma in een bepaald bedrag - blijkt aldus (onder bepaalde omstandigheden) weldegelijk een mogelijkheid in hoofde van een inschrijver die zich per abuis vergist heeft om zich “te herpakken”. Vergissen is immers menselijk, niet?

Auteur:  Fabian Swennen, i.s.m. Gitte Laenen

Meer info?
Contacteer Gitte LAENEN

Advocaat-vennoot
015/40.49.40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be