Belangrijke nieuwe wetgeving op til inzake krotbelastingen

Belangrijke nieuwe wetgeving op til inzake krotbelastingen

19 december 2016

Er is belangrijke nieuwe wetgeving op til inzake krotbelastingen. Op 20 oktober 2016 werd in het Vlaams Parlement het ontwerp van decreet houdende diverse fiscale bepalingen ingediend dat onder meer de regelgeving rond  het inventarisbeheer van verwaarloosde of onbewoonbare en ongeschikte woningen en de Vlaamse Codex Fiscaliteit rond de hervorming van de verkrottingsheffing grondig vanaf 2017 zal wijzigen.

A. INLEIDING

De leegstand, verwaarlozing en verkrotting van woningen, gebouwen en bedrijfsruimten leidt tot de verloedering van de leefomgeving en van buurten en steden. Deze verschijnselen moeten dan ook zoveel mogelijk worden voorkomen en bestreden.

Het bestrijden van leegstand en verwaarlozing via het heffen van belastingen werd aanvankelijk enkel op gemeentelijk niveau geregeld aan de hand van lokale belastingreglementen.

Later bleken ook  de gewesten geïnteresseerd voor deze materie en ontstonden het Decreet van 19 april 1995 houdende maatregelen ter bestrijding en voorkoming van leegstand en verwaarlozing van bedrijfsruimten en het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 in verband met de leegstand en verwaarlozing van gebouwen en woningen.

Met ingang van 1 januari 2010 werd de bevoegdheid om belastingen op leegstaande woningen en gebouwen te heffen overgeheveld van de gewesten naar de gemeenten. Het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid (DGP) machtigt de gemeenten aldus tot het heffen van een leegstandsheffing op gebouwen en woningen die zijn opgenomen in het leegstandsregister en werkt desbetreffend een aantal regels uit. De autonomie van de gemeenten is niet volledig. Zo moet het lokaal bestuur bij het heffen van een leegstandsbelasting thans nog rekening houden met een aantal decretaal opgelegde minimumtarieven. Bovendien voorzien de artikelen 3.2.27 t.e.m. 3.2.29 DGP in een uitzonderlijke gewestelijke leegstandsheffing die eruit bestaat dat wanneer lokale besturen “stilzitten” en daarbij aan een bepaalde ratio is voldaan, het Vlaamse Gewest voor die gemeenten een gewestelijke leegstandsheffing kan heffen.

Inmiddels kwam de Vlaamse Codex Fiscaliteit (VCF) tot stand waarin wat overbleef van de Vlaamse krotbelastingen werd geïncorporeerd. Het Vlaams Gewest heft thans: een krotbelasting op verwaarloosde gebouwen en verwaarloosde, ongeschikte of onbewoonbare woningen en een leegstandsbelasting op bedrijfsruimten.

Het ligt evenwel in de bedoeling van de Vlaamse overheid om opnieuw aan de materie te sleutelen en het één en ander van het Vlaams niveau naar het lokaal niveau door te schuiven.

B. CONCRETE WIJZIGINGEN

De voorziene actie van de Vlaamse overheid is op drie punten gericht.

1. Op het vlak van de leegstand

Zoals hiervoor vermeld wordt deze heffing geregeld in het DGP en behoort dit tot de bevoegdheid van de steden en gemeenten.

De huidige intenties van de Vlaamse overheid zijn duidelijk:

Afschaffing van de minimumtarieven;

Afschaffing van de uitzonderlijke gewestelijke leegstandsheffing.

Hiertoe moet het DGP worden gewijzigd. Op 20 oktober 2016 werd in het Vlaams Parlement het ontwerp van decreet houdende diverse fiscale bepalingen ingediend.

Uit de lezing van dit ontwerp blijkt dat er belangrijke ingrepen in het DGP gebeuren:

De verplichting voor de gemeente om een register van leegstaande gebouwen en woningen bij te houden wordt afgeschaft en vervangen door een mogelijkheid daartoe. Artikel 2.2.6 van het DGP wordt in die zin gewijzigd;

Wat de leegstandsheffing betreft, wordt alleen het principe behouden, op grond waarvan de gemeenten een leegstandsheffing op gebouwen en woningen kunnen heffen. De bestaande artikelen 3.2.18 tot en met 3.2.29 van het DGP worden opgeheven.

De lokale besturen krijgen door de voorgestelde wijzigingen volledige beleidsvrijheid om zelf te bepalen of ze omtrent de leegstand beleid wensen te voeren en, indien ze dit doen, zelf te bepalen hoe ze daar invulling aan geven.

2. Op het vlak van de verwaarlozing

Het Vlaamse Gewest heft op heden nog steeds belastingen op verwaarloosde gebouwen en woningen. De bedoeling van de Vlaamse overheid is duidelijk: de volledige materie van de verwaarlozing wordt overgeheveld naar de steden en gemeenten. Dit vereist een decretaal initiatief, dat tegen het voorjaar 2017 moet gerealiseerd zijn.

Zoals in het geval van de leegstand, zou het dan ook op grond van een decretale machtiging zijn dat gemeenten een belasting kunnen heffen op verwaarloosde woningen en gebouwen. Gemeenten zijn inderdaad niet bevoegd om belastingen in te stellen met een hoofdzakelijk niet-fiscaal doel. Zoals de leegstandsheffing is de belasting op verwaarloosde woningen en gebouwen essentieel een instrument van het grond- en pandenbeleid en van de stadshernieuwing en dus een sturende belasting, dit is een belasting met een hoofdzakelijk niet-fiscaal doel, die in dit licht gebaseerd moet worden op een decretale machtiging.

Het ontwerp voorziet in een wijziging van het Decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 wordt aangepast om het gewestelijk kader te beperken tot hoofdlijnen en het inventarisbeheer inzake verwaarlozing aan de gemeenten toe te vertrouwen.

Afdeling 2 van Hoofdstuk VIII van het Heffingsdecreet wordt volledig herwerkt. Volledig analoog aan het huidige gewestelijke kader voor leegstand wordt een kader voor het gemeentelijk register voor verwaarloosde gebouwen en woningen geschapen, bestaande uit: definitie, regeling voor schrapping en mogelijkheid om beroep te doen op een intergemeentelijk samenwerkingsverband.

Voortaan kan een opname op het register van verwaarloosde gebouwen en woningen gecombineerd worden met, enerzijds een opname op het leegstandsregister en anderzijds, een opname in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen.

Opname in de gewestelijke inventaris van ongeschikte en onbewoonbare woningen is wat leegstand betreft, slechts mogelijk indien de woning eerst op het leegstandsregister stond en pas daarna ongeschikt en onbewoonbaar werd verklaard. Het omgekeerde kan conform het DGP niet. Dit is ingegeven vanuit de vaststelling dat ongeschikt- en onbewoonbaarheid vaak de oorzaak is van leegstand (het verhuren van een ongeschikte of onbewoonbare woning is immers strafbaar).

Voor verwaarlozing en ongeschiktheid en onbewoonbaarheid gaat die redenering niet op gezien er immers geen directe link tussen inpandige woningkwaliteitsproblemen en uitwendige verwaarlozing is. Vandaar dat ook deze combinatie in het voorliggend ontwerp mogelijk wordt gemaakt.

Het ontwerp wijzigt verder ook de belasting ter bestrijding van verkrotting van woningen en/of gebouwen, ook wel 'krotbelasting' genoemd. De heffing op de verwaarloosde woningen wordt overgeheveld naar het lokaal niveau waarbij de gewestelijke heffing volledig wordt opgeheven zodat een dubbele heffing vanaf aanslagjaar 2017 onmogelijk wordt.

3. Op het vlak van de ongeschiktheid en onbewoonbaarheid

Ook ongeschikte en onbewoonbare woningen worden nog steeds door het Vlaamse Gewest belast. Ongeschiktheid en onbewoonbaarheid zijn van een andere orde dan leegstand en verwaarlozing. De Vlaamse heffing op ongeschikt en onbewoonbaar verklaarde woningen beoogt inderdaad het grondrecht op wonen.

In het ontwerp wordt voorzien dat de heffing op de ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woningen gewestelijk blijft tenzij het lokale bestuur een heffing oplegt (in dit geval is de gewestelijke heffing niet langer van toepassing). Bij de lokale heffing op ongeschikte of onbewoonbare woningen moet rekening worden gehouden met de voorwaarden die worden voorzien in het gewestelijke kader. De decreetgever heeft ter zake de bedoeling de huidige dubbele heffing vanuit beide bestuursniveaus vanaf aanslagjaar 2017 ongedaan te maken.

Teneinde de woningkwaliteit te bewaken, moet deze gemeentelijke heffing op ongeschiktheid en/of onbewoonbaarheid voortaan minimaal 990 EUR bedragen voor een woning of 500 EUR voor een kamer. Het staat de gemeenten vrij om hogere tarieven op te leggen.

Een gewestelijke heffing op ongeschiktheid en/of onbewoonbaarheid is dus enkel nog mogelijk voor zover geen gemeentelijke heffing is ingevoerd. Vlabel zal sanctionerend blijven optreden inzake ongeschiktheid en/of onbewoonbaarheid  voor de gemeenten die niet autonoom optreden. Gezien niet elke gemeente vertrouwd is met het strafpuntensysteem inzake ongeschikte woningen, krijgen zij de nodige tijd om zelf de nodige expertise op te bouwen. In de gemeenten waar een gewestelijke heffing op ongeschiktheid en/of onbewoonbaarheid wordt geheven, blijven gemeentelijke opcentiemen mogelijk.

C. BESLUIT

In het ontwerp van decreet houdende diverse fiscale bepalingen dat op 20 oktober 2016 in het Vlaams Parlement werd ingediend, worden dus ingrijpende wijzigingen inzake krotbelastingen aangebracht. Hierbij wordt vooral gefocust op het lokaal niveau. Daardoor zal de  regelgeving rond  het inventarisbeheer van verwaarloosde of onbewoonbare en ongeschikte woningen en de Vlaamse Codex Fiscaliteit rond de hervorming van de verkrottingsheffing vanaf 2017 grondig worden gewijzigd.


Auteur: Jill Verhoft

Meer info?

Contacteer Steven Michiels
Advocaat-vennoot
Tel. 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be