De “Codextrein” houdt halt bij het volgende station: Het Vlaams Parlement

De “Codextrein” houdt halt bij het volgende station: Het Vlaams Parlement

12 mei 2017

De omgevingsvergunning is nog niet helemaal in werking getreden of de eerste wijzigingen dienen zich al aan. Het ontwerp van het decreet houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, beter bekend als de “Codextrein” werd op 4 mei 2017 ingediend bij het Vlaams Parlement door de Vlaamse Regering. De komst van de Codextrein brengt een groot aantal wijzigingen teweeg aan de VCRO enerzijds en in de regelgeving omtrent de omgevingsvergunning anderzijds. Deze wijzigingen zouden moeten bijdragen tot bevordering van de 'ruimtelijke rendementsverhoging' in Vlaanderen en dit op grond van de volgende pijlers: intensivering van het ruimtegebruik, verweving van verschillende functies, het hergebruiken van reeds bestaande constructies en renovatie van de bestaande gebouwen. GD&A Advocaten analyseerde voor u reeds de belangrijkste veranderingen.

Vereenvoudiging van de wijzigingsprocedure van verkavelingen op verzoek van de eigenaar(s).

Wie vandaag een aanvraag tot een verkavelingswijziging indient, komt terecht in een omslachtige en meestal kostelijke procedure. Op basis van de bestaande regelgeving zijn dergelijke wijzigingen onderworpen aan twee verschillende openbaarmakingen: enerzijds hebben we het openbaar onderzoek dat de lokale overheid dient in te richten zoals bij iedere verkavelingsaanvraag, waarbij iedereen een bezwaar kan indienen. Anderzijds is er de verplichte voorafgaande kennisgeving van de voorgenomen wijziging aan de andere kaveleigenaars door de eigenaar-aanvrager, waarbij deze op hun beurt nogmaals hun bezwaren kunnen uiten, buiten het georganiseerde openbaar onderzoek door het lokale bestuur.

De Codextrein voorziet nog slechts in één openbaar onderzoek, ingericht door het betrokken lokale bestuur. De kaveleigenaars krijgen hier wel een “bijzonder statuut” in. De eigenaars van de percelen die aanpalend zijn aan de kavels die het voorwerp uitmaken van de wijziging, worden nog steeds aangeschreven via aangetekende zending. Dit geldt ook voor de eigenaars van aanpalende percelen, die buiten de betrokken verkaveling liggen. De overige eigenaars binnen de verkaveling, maar niet aanpalend aan het betrokken perceel waarvoor de wijziging wordt aangevraagd, zullen op de hoogte worden gesteld via gewone brief. Deze verantwoordelijkheid tot bekendmaking van de aanvraag tot wijziging ligt in het nieuwe decreet niet langer bij de aanvrager-eigenaar, maar wel bij het betrokken lokale bestuur.

De administratieve last op de schouders van de aanvrager-eigenaar wordt hierdoor aanzienlijk verlicht en de procedure zou nu ook sneller moeten verlopen. 

Verkavelingsvoorschriften van verkavelingen ouder dan 15 jaar zijn niet langer verbindend in sommige gevallen.

De VCRO somt in artikel 4.3.1 de weigeringsgronden voor vergunningen op. De niet-overeenstemming van de aanvraag met de verkavelingsvoorschriften vormt een dergelijke weigeringsgrond. De Codextrein brengt daar nu verandering in. Enkel de verkavelingsvoorschriften van verkavelingen die recenter zijn dan 15 jaar kunnen in principe nog als weigeringsgrond dienen in de toekomst bij vergunningsaanvragen. Hierbij dient echter toch één en ander genuanceerd te worden.

Verkavelingsvoorschriften die de leeftijd van 15 jaar overschrijden “verdwijnen” namelijk niet uit het rechtsverkeer. Integendeel, ze blijven bestaan en elke aanvraag die in overeenstemming is met de verkavelingsvoorschriften geniet bovendien van het voordeel dat er geen openbaar onderzoek gehouden dient te worden. Daarnaast blijven de verkavelingsvoorschriften met betrekking op de openbare wegenis of het openbaar groen altijd een weigeringsgrond, ongeacht hun leeftijd. Tot slot kunnen ook eigenaars van loten in zonevreemde, oude verkavelingen nog steeds genieten van de rechtszekerheid die een oude, niet vervallen verkaveling met zich meebrengt.

Het basisprincipe in de Codextrein is dan ook dat de verkavelingsvoorschriften van 15 jaar of ouder in principe niet meer bindend zullen zijn. Hierbij dient er echter opgemerkt te worden dat op deze regeling toch heel wat uitzonderingen bestaan, waarbij alsnog rekening gehouden zal moeten worden met dergelijke oudere voorschriften. Op basis van de voorgestelde regeling zijn er immers nog steeds situaties mogelijk waarin deze oude verkavelingsvoorschriften alsnog een weigeringsgrond bij een vergunningsaanvraag kunnen uitmaken.  Er zal dan ook in iedere aanvraag opnieuw moeten worden nagegaan of de verkavelingsvoorschriften al dan niet verbindend zijn.

Vereenvoudigde procedure tot wijziging van verouderde inrichtingsvoorschriften van BPA's, APA's en gemeentelijke RUP's.

De Vlaamse Overheid is er van overtuigd dat al te verouderde of te gedetailleerde voorschriften van BPA's en APA's of sommige voorschriften uit gemeentelijke RUP's meer kwaad doen dan goed in de realiteit. Ze vormen namelijk al te vaak een obstakel bij vergunningsaanvragen, wat het 'ruimtelijke rendement' dan weer in de weg staat. Vandaag kunnen dergelijke voorschriften enkel aangepast worden via de reguliere procedure, namelijk de opmaak van een nieuw gemeentelijk RUP. Dit is echter ook een tijdrovende en kostelijke procedure.
Het wijzigingsdecreet voorziet daarom de invoeging van een nieuw artikel 7.4.4/1 in de VCRO. Dit artikel voorziet in een versoepelde wijzigingsprocedure van (ver)oude(rde) voorschriften van BPA's en APA's en sommige voorschriften van gemeentelijke RUP's, zonder verlies van de nodige garanties. De Vlaamse Regering benadrukt namelijk dat deze nieuwe regeling gezien moet worden als een uitzonderingsprocedure op de reguliere procedure.

Zo kan een opheffing of herziening enkel betrekking hebben op inrichtingsvoorschriften én kan de herziening geen wijziging van de (hoofd)bestemming van het gebied tot gevolg hebben. Deze uitzonderingsprocedure is niet van toepassing op provinciale en gewestelijke RUP's.

De aanduiding van 'signaalgebied'.

Met 'signaalgebieden' worden gebieden bedoeld waarvan de bestemming niet of nog niet volledig werd gerealiseerd én waar een tegenstrijdigheid kan bestaan tussen de geldende bestemmingsvoorschriften en de belangen van het watersysteem.

De Omzendbrief van 2013 betreffende de 'Richtlijnen voor de toepassing van de watertoets voor de vrijwaring van het waterbergend vermogen in signaalgebieden' voorziet reeds in een bewarend beleid voor signaalgebieden binnen overstromingsgevoelige gebieden waar een herbestemming eventueel nodig kan zijn. Door de toepassing van dit bewarend beleid, wordt er een 'stand-still' voorzien in de gebieden voor wat betreft de realisatie van de bestemmingen, in afwachting van een onderzoek van het gehele signaalgebied. Tijdens dit onderzoek worden de actuele en toekomstige overstromingskansen en -dieptes in kaart gebracht. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan dan worden nagegaan of een bewarend beleid voor het gebied noodzakelijk is, omdat er een herbestemming nodig kan zijn om de overstromingsrisico's op een duurzame wijze te verkleinen. De resultaten van het onderzoek kunnen ook tot gevolg hebben dat plannen en vergunningen in deze signaalgebieden, die erop gericht zijn om de oorspronkelijke bestemming te realiseren, zo veel mogelijk vermeden zullen worden.

Het aanpassingsdecreet voorziet nu in een 'juridisch kader' voor dit bewarend beleid.

Sanctionering in het geval van niet-naleving van de beslissingstermijnen door de bevoegde overheid.

Het wijzigingsdecreet zet in op de verplichting voor de betrokken vergunningverlenende overheid om een effectieve beslissing omtrent de aanvraag van een omgevingsvergunning te behandelen binnen de daarvoor voorziene decretale termijn. Het uitblijven van een beslissing staat momenteel gelijk aan een 'stilzwijgende weigering' van de vergunning. De burger wordt hiermee echter slachtoffer van het stilzitten van de overheid.

De nieuwe regels voorzien nu in financiële sancties voor overheden die niet tijdig een beslissing hebben genomen over een vergunningsaanvraag door het opleggen van een geldboete of een dwangsom. Op deze manier wordt geprobeerd het aantal stilzwijgende weigeringen terug te dringen.

Verlenging van de vervaltermijn van de vergunning in geval van overmacht.

In de huidige regeling vervalt een stedenbouwkundige vergunning in het geval de vergunde werken niet zijn aangevat binnen de twee jaar nadat de vergunning werd toegekend, ongeacht de reden waarom er niet met de uitvoering van de vergunning werd begonnen. Er kan echter niet ontkend worden dat de houder van de vergunning soms niet in de mogelijkheid is om zijn vergunning uit te voeren door redenen die niet aan hem zijn toe te schrijven. Hierbij kan, onder meer, gedacht worden aan een initiatiefnemer die overheidssubsidies nodig heeft om een project te financieren, terwijl de toekenning van deze subsidies op zich laat wachten zodat de termijn van twee verstrijkt door een oorzaak die niet aan de vergunninghouder kan worden aangerekend.

De nieuwe regeling voorziet dan ook in de mogelijkheid van de verlenging van de oorspronkelijke termijn van twee jaar met nog eens twee jaar, in de gevallen waarin de vergunninghouder de werken niet kan starten omwille van redenen die niet aan hem zijn toe te schrijven.

Beperking van de toegang tot de beroepsprocedure tegen vergunningsbeslissingen.

Iedere belanghebbende derde kan tegen een vergunningsbeslissing momenteel een bestuurlijk beroep instellen bij de bevoegde overheid of een wettigheidsberoep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. De vraag of deze persoon bezwaar heeft ingediend tijdens het voorafgaande openbaar onderzoek over de aanvraag tot de betrokken vergunning doet hieraan geen afbreuk.

De Codextrein bepaalt nu echter dat 'het indienen van een bezwaar tijdens het openbaar onderzoek' een ontvankelijkheidsvereiste zal uitmaken voor een later bestuurlijk dan wel wettigheidsberoep tegen de uiteindelijke vergunningsbeslissing. Met andere woorden, een derde die nalaat een bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek, zal nadien ook geen beroep meer kunnen instellen bij de bevoegde overheid, noch bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen de eigenlijke vergunning.

De Codextrein geeft echter ook meteen aan dat hierop 'uitzonderingen' zullen worden toegestaan. Zo kan er nog steeds een administratief beroep ingediend worden indien de aanvraag gewijzigd is na het openbaar onderzoek of wanneer de opgelegde voorwaarden in de uiteindelijke vergunning een dergelijke impact hebben op de omwonenden, dat deze alsnog beroep willen instellen. Daarnaast voorziet het ontwerpdecreet ook uitzonderingen op bovenstaande regelingen indien een omwonende een maand op vakantie was in het buitenland, in het ziekenhuis lag, in de gevangenis zat, een omwonende blind blijkt te zijn en bijgevolg de affiche van het openbaar onderzoek niet kon zien of wanneer de betrokken persoon het aanpalende pand gekocht of gehuurd heeft na het openbaar onderzoek, maar voor het nemen van de definitieve beslissing door de bevoegde overheid.

In het geval deze nieuwe regeling zal worden opgenomen in het uiteindelijke aanpassingsdecreet, zal bijgevolg één en ander grondig veranderen in het kader van de vergunningsprocedure. Het niet tijdig indienen van een bezwaar tijdens het openbaar onderzoek door een derde-belanghebbende brengt dan ook meteen de uitsluiting van deze persoon met zich mee voor de toekomstige procedures tegen de uiteindelijk verleende vergunning. 

Stand van zaken.

Bovenstaande wijzigingen, samen met nog een aantal anderen, zijn momenteel opgenomen in het ontwerp decreet houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving. Het ontwerp zal nu eerst besproken worden in de Commissie voor Leefmilieu, Natuur, Ruimtelijke Ordening, Energie en Dierenwelzijn van het Vlaams Parlement om vervolgens te worden behandeld door de plenaire vergadering.

Het is dan ook niet ondenkbaar dat er nog wijzigingen aan de voorgestelde regels zullen worden aangebracht, alvorens het decreet daadwerkelijk in werking zal treden. De toekomst zal dan ook moeten uitwijzen in hoeverre de hierboven uiteengezette wijzigingen zullen worden doorgevoerd. Er kan echter vanuit gegaan worden dat de hoofdlijnen van het ontwerp behouden zullen blijven.

GD&A Advocaten volgt alle ontwikkelingen op de voet en houdt u uiteraard op de hoogte.

Auteur: Lara Hendrix

Meer info?
Contacteer Tom Swerts

Advocaat-Vennoot
t 015/40 49 40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be

Contacteer Alisa Konevina
Advocaat
t 015/40 49 40 of alisa.konevina@gdena-advocaten.be