Kan de kostprijs van de laatste (aangetekende) aanmaning in het kader van de invordering van fiscale schuldvorderingen in lokale belastingen worden verhaald?

Kan de kostprijs van de laatste (aangetekende) aanmaning in het kader van de invordering van fiscale schuldvorderingen in lokale belastingen worden verhaald?

11 juli 2017

Gemeentelijke schuldvorderingen worden niet altijd binnen de voorziene termijn betaald zodat de financieel beheerder tot gedwongen invordering moet overgaan door het verzenden van herinneringsbrieven en aanmaningen, hetgeen kosten genereert.

Tot voor kort moest de financieel beheerder een aangetekende herinneringsbrief verzenden aan de belastingplichtige alvorens een bevel tot betaling door de gerechtsdeurwaarder werd opgesteld.

In de praktijk bleek evenwel dat het merendeel van de aangetekende herinneringsbrieven niet werd afgehaald

Sinds 1 mei 2017 hoeft derhalve de herinneringsbrief die de financieel beheerder stuurt, als er onbetaalde belastingschulden zijn, alvorens de deurwaarder wordt ingeschakeld, niet meer aangetekend te worden verzonden. Een gewone herinneringsbrief volstaat dus.

Als de gemeente desalniettemin nog ervoor zou opteren om aangetekende herinneringsbrieven te versturen dan is er momenteel enige onduidelijkheid of de kosten hiervan door de gemeente op de belastingplichtige kunnen worden verhaald. Een verduidelijking van de bevoegde Vlaamse Minister ter zake lijkt ons dan ook aangewezen.

In de rechtsleer wordt de visie verdedigd dat deze kosten door de gemeente op grond van hun fiscale autonomie weldegelijk op de belastingplichtige kunnen worden verhaald door het bedrag van de kosten op te nemen in een gemeenteraadsbeslissing en hierbij redelijke bedragen te hanteren.

1. SITUATIE VANAF 1 MAART 2002 TOT EN MET 30 APRIL 2017

Wanneer een belastingschuldige een aanslag niet binnen de gestelde termijn betaalt, laat de administratie hem een dwangbevel betekenen tot betaling binnen 24 uren, op straffe van tenuitvoerlegging door beslag.

De administratieve richtlijnen schreven destijds weliswaar voor dat eerst een aanmaning moest worden gestuurd vooraleer een dwangbevel te betekenen. Het Hof van Cassatie heeft evenwel duidelijk laten verstaan dat uit het niet versturen van een aanmaning geen rechten konden worden geput gezien het geen wettelijke plicht betrof.

Vandaar dat sinds 1 maart 2002 artikel 298, § 2 WIB 92 toepassing vindt. Op grond van deze wettelijke bepaling is de financieel beheerder voortaan verplicht, minstens één maand voordat de gerechtsdeurwaarder een bevel tot betaling opstelt, om vervolgingen ten laste van een nalatige belastingplichtige te laten voorafgaan door een aangetekende herinneringsbrief, behalve wanneer de rechten van de gemeentekas in gevaar verkeren. Aldus werd een vast administratief gebruik verplicht.

Bedoeling was dat belastingplichtigen die om één of andere reden niet zouden weten dat ze nog een openstaande belastingschuld hebben, niet ineens worden geconfronteerd met een deurwaardersexploot en met de daaraan verbonden kosten. Het is immers altijd mogelijk dat de belastingschuldige echt niet op de hoogte is van een openstaande belastingschuld. Het gebeurt dat de aanslagbiljetten naar het verkeerde adres worden verzonden, bijvoorbeeld na een verhuis, een feitelijke scheiding of een overlijden. Of er kan iets misgaan met een overschrijving. Uit de lectuur van het Senaatsverslag blijkt dat de bedoeling van deze regeling erin bestaat de belastingplichtige niet onaangekondigd met de aanzienlijke kosten van een dwangbevel op te zadelen. De administratie die zonder voorafgaande herinneringsbrief een bevel tot betalen laat betekenen, moest dan ook voor de kosten daarvan opdraaien. Hetzelfde geldt wanneer de voorgeschreven termijn niet wordt gerespecteerd. 

Op inhoudelijk vlak worden geen richtlijnen verstrekt. Het betreft dan ook een verwittiging waarmee de in gebreke blijvende belastingplichtige wordt aangezet tot betaling, op straffe van gedwongen tenuitvoerlegging.

Tussen de verzending van de aangetekende herinneringsbrief en het opstellen van een bevel tot betaling door de gerechtsdeurwaarder moest een tijdspanne van minstens 1 maand verlopen. Aan deze voorwaarde werd steeds voldaan wanneer de financieel beheerder tussen de aangetekende verzending en het versturen van het voor de gerechtsdeurwaarder bestemde dwangschrift een minimale termijn van 1 maand in acht nam.

Tevens moest de instrumenterende deurwaarder worden ingelicht over het feit dat de voorgeschreven termijn van 1 maand werd gerespecteerd. Ter zake volstond het om bij het dwangschrift een kopie van de herinneringsbrief te voegen.

Een aangetekende herinneringsbrief moest niet worden toegezonden wanneer de rechten van de gemeentekas in gevaar verkeerden. Bedoeld werd het geval waarin een nakende verjaring moest worden gestuit en dat de gerechtsdeurwaarder quasi onmiddellijk moest worden ingeschakeld met het oog op het tijdig betekenen van een verjaringsstuitend dwangbevel. 

Desbetreffend wordt aangestipt dat de verjaring ook kan worden gestuit in niet dreigende gevallen. Het spreekt voor zich dat in deze veronderstelling desbetreffende wetgeving wel degelijk moest worden nageleefd.

Er wordt aangestipt dat de aangetekende herinneringsbrief op zichzelf geenszins de verjaring stuitte.

De kosten van de aangetekende verzending vielen ten laste van de belastingplichtige. Er kan niet worden betwijfeld dat het slechts de portkosten als zodanig betrof. Volgens de Vlaamse Overheid kunnen bij fiscale ontvangsten in beginsel geen kosten worden aangerekend. Bijgevolg kwamen bijkomende kosten (voor het opstellen van de brief; voor het gebruikte papier) niet in aanmerking. Het in rekening brengen van een forfaitair kostenbedrag was dan ook uit den boze.

Dit standpunt blijkt ook uit een besluit van 19 april 2010 van de Vlaamse Minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand houdende vernietiging van artikel 9 van het gemeenteraadsbesluit van 7 december 2009 van Wezembeek-Oppem tot heffing van een belasting op het in huur geven van kamers en van artikel 10 van het gemeenteraadsbesluit van 7 december 2009 van Wezembeek-Oppem tot heffing van een belasting op het kamperen. Uit de parlementaire voorbereiding van de laatste zin van artikel 298, § 2 WIB 92, blijkt dat het enkel de bedoeling was dat de verzendingskosten van de aangetekende brief werden doorgerekend aan de belastingplichtige, en niet de eventuele andere, niet nader bepaalde administratiekosten. De bedoelde kosten voegden zich bij de hoofdsom en zouden in voorkomend geval als vervolgingskosten worden ingevorderd.

De regeling voorziet geen sancties. Het niet naleven van de voorgeschreven termijn of het niet verzenden van de herinneringsbrief wordt niet gestraft. Toch gaat het om wettelijke verplichtingen.

2. Situatie vanaf 1 mei 2017

Thans wordt de verplichting om de herinneringsbrief 'aangetekend' te verzenden door de Wet van 20 februari 2017 geschrapt gezien in de praktijk bleek dat het merendeel van de aangetekende herinneringsbrieven niet werden afgehaald.

De aangetekende herinneringsbrief wordt vervangen door een gewone (niet aangetekende herinneringsbrief (nieuw lid 2 en 3 in art. 298 § 2 lid 2 WIB 92, die lid 2 tot 4 vervangen).

Aangestipt wordt dat ook op Vlaams niveau de herinnering al sinds 2014 per gewone brief gebeurt, hetgeen niet tot klachten heeft geleid en evenmin tot een minder effectieve invordering.

In de nieuwe geautomatiseerde invorderingsprocedure wordt trouwens al een gewone herinneringsbrief gestuurd 7 werkdagen na de vervaldatum van een belastingschuld zodat de aangetekende herinneringsbrief dus dubbel op is. Het gebeurt ook tegenwoordig vaak dat de ontvanger de nalatige belastingschuldigen gewoon opbelt.

Het voormelde is ook op de Vlaamse gemeente van toepassing via de verwijzing in artikel 11 van het Decreet van 30 mei 2008. Aldus zal in de praktijk alleen de 'automatische' brief overblijven en de tweede, aangetekende brief wegvallen. De herinneringsbrief wordt slechts één keer verzonden, namelijk bij de aanvang van de gedwongen invordering. Deze formaliteit hoeft niet te worden herhaald bij een eventuele volgende invorderingsmaatregel gezien de wet immers spreekt van het versturen van de brief vóór een “eerste middel van tenuitvoerlegging”.

Er werd ook nauwkeuriger gepreciseerd wanneer deze herinneringsbrief moet worden verzonden: Dit mag ten vroegste 10 dagen na het verstrijken van de betaaltermijn gebeuren. De termijn tussen de herinneringsbrief en het eerste middel van tenuitvoerlegging moet nu minstens één maand en drie (werk)dagen bedragen.

De wet spreekt niet meer van een deurwaarder, maar van een “middel van tenuitvoerlegging” in het algemeen. Bijgevolg kunnen ook uitvoeringsmaatregelen die de financieel beheerder zelf kan nemen en waarvoor hij dus géén deurwaarder inschakelt, onder de regeling vallen. Aldus zal de financieel beheerder ook een herinneringsbrief moeten verzenden alvorens hij een vereenvoudigd derdenbeslag legt. Zo worden de rechten van de belastingplichtige zelfs nog verstrekt. Tot nu toe werd zo'n derdenbeslag immers zonder herinneringsbrief gelegd, hetgeen een belastingschuldige in moeilijkheden kon brengen als het derdenbeslag gebeurde in handen van zijn werkgever.

Voor een interne schuldvergelijking (vereffening van de openstaande belastingschuld door ze aan te rekenen op teruggave van een andere belasting) hoeft de financieel beheerder, daarentegen, geen verwittiging te versturen. Zo'n schuldvergelijking is immers geen 'middel van tenuitvoerlegging' waarover de nieuwe wettekst spreekt.

Zoals voorheen hoeft de financieel beheerder geen tijd te verliezen met een herinneringsbrief als de rechten van de Schatkist in gevaar zijn.
En wat als de financieel beheerder geen voorafgaande herinnering zou sturen, terwijl de rechten van de Schatkist niet in gevaar zijn ? Hierover is tijdens de parlementaire vergadering alleen maar gezegd dat de verplichting “niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven”. In haar circulaire stelt de Administratie zich (ook) op het standpunt dat het gebrek aan herinneringsbrief “niet de nietigheid van het bevel tot betaling tot gevolg kan hebben”. Het gebrek zou volgens haar evenwel tot gevolg kunnen hebben dat de uitvoering ervan opgeschort zou kunnen worden en dat de kosten ervan ten laste zouden kunnen worden gelegd van de Administratie of van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder.

Net zoals voorheen horen de kosten voor de vestiging en de invordering van belastingen volgens het ABB, dat het standpunt van weleer van de bevoegde Vlaamse Minister bijtreedt, bij de werking van het gemeentebestuur en moeten zij dus door de algemene middelen worden gedragen en kunnen zij dus niet apart aan de betrokken belastingplichtigen worden aangerekend. Principieel vallen de invorderingskosten dus ten laste van de overheid, tenzij de wet hiervan afwijkt (cfr. oud artikel 298 WIB 92; KB/WIB 92 inzake kosten gerechtsdeurwaarder;..)

Het gemeentebestuur zal aldus volgens het ABB bij de invoering van een belasting moeten inschatten wat de vestiging en de inning van de belasting zal kosten en moet deze kosten mee opnemen in het betrokken belastingtarief. Het gemeentebestuur zal op grond van een kosten-batenanalyse allicht ervoor opteren om niet langer gebruik te maken van aangetekende verzendingen.

In de rechtsleer heeft men hierop evenwel scherpe kritiek en wordt het standpunt verdedigd dat deze zaak zonder enig probleem kan worden geregeld met toepassing van de regels van de gemeentelijke fiscale autonomie. Luidens art. 42 § 1 Gemeentedecreet beschikt de gemeenteraad, onder voorbehoud van de toepassing van andere wettelijke of decretale bepalingen, over de volheid van bevoegdheid ten aanzien van aangelegenheden van gemeentelijk belang zodat de gemeente kosten kan aanrekenen. Het betreft een mogelijkheid waarover de gemeente vrij beschikt op grond van haar decretaal verankerde autonomie. 

Deze autonomie heeft wel als corollarium het administratief toezicht. De toezichthoudende overheid beschikt inderdaad over de mogelijkheid om een gemeentelijk reglement te schorsen en te vernietigen wegens schending van het recht of wanneer het algemeen belang - in de zin van elk belang dat ruimer is dan het gemeentelijk belang - werd geschaad.

Volgens gezaghebbende rechtsleer valt moeilijk in te zien dat een beslissing om kosten aan te rekenen het recht zou schenden. Inderdaad wordt die mogelijkheid door geen enkele wettelijke of reglementaire bepaling verboden. De aangelegenheid staat alleszins niet geregeld in het WIB 92 of het KB/WIB 92, waardoor een eventuele verwijzing op grond van artikel 11 Decreet 30 mei 2008 zonder voorwerp is. Als het bedrag van de aangerekende kosten bovendien redelijk is, kan er volgens deze rechtsleer evenmin sprake zijn van een schending van het redelijkheidsbeginsel.

Dat de maatregel het algemeen belang zou schaden, staat volgens de rechtsleer allerminst vast. Desbetreffend kan bijvoorbeeld het feit dat de federale administratie der belastingen in hetzelfde geval geen kosten aanrekent niet als argument worden ingeroepen. De Staat en de gemeenten kunnen immers niet met elkaar worden vergeleken.

Voorts kan volgens de rechtsleer evenmin worden gesproken over strijdigheid met een algemene beleidslijn van de Vlaamse overheid, aangezien die niet bestaat of nergens tot uitdrukking is gebracht.

Volgens de rechtsleer gaat het integendeel om een uiting van zuinigheid in hoofde van de gemeente die zich verplicht ziet om kosten te maken ten gevolge van de nalatigheid van de belastingplichtige en getuigt het dan ook van behoorlijk bestuur om de wanbetaler die gelden in zijn bezit houdt die van rechtswege aan de gemeente toekomen, niet neutraal te behandelen. Het aanrekenen van een aanmaningskost in zijn hoofde is dan ook niet uit den boze.

Het aanrekenen van kosten is dus volgens de rechtsleer:

een mogelijkheid;

moet in een (bij voorkeur goed gemotiveerde) gemeenteraadsbeslissing worden vastgesteld;

moet redelijk blijven. Wat precies onder “redelijk” moet worden verstaan is moeilijk te bepalen. Rekening houdend met materiële kosten (papier - verzending) en kosten van personeel, zijn bedragen tussen 5 euro en 20 euro wellicht redelijk.

Het lijkt ons aangewezen dat duidelijkheid omtrent voormelde problematiek inzake de aanrekening van kosten door de bevoegde Vlaamse Minister wordt gebracht.

Indien het gemeentebestuur er dus nog voor zou opteren om een aangetekende herinneringsbrief te versturen en zij deze kosten wenst te verhalen op de belastingplichtige dan zal zij deze kost dus uitdrukkelijk moeten opnemen bijvoorbeeld in een apart retributiereglement dat onderworpen is aan de inzendingsplicht cfr. art. 253 Gemeentedecreet. Dit retributiereglement kan dan worden beschouwd als een wettelijke afwijking (wet in de materiële context).

Het gemeentebestuur kan ook het eventueel bestaande retributiereglement dat de aanmaningskosten voor niet-fiscale vorderingen regelt uitbreiden naar fiscale vorderingen.

Het verzenden van aanmaningen kan dus gepaard gaan met het aanrekenen van kosten. Indien de gemeente daartoe beslist dan wordt het bedrag van de kosten bij voorkeur voorzien in de gemeenteraadsbeslissing. Het beginsel van de redelijkheid vereist dat de vastgestelde bedragen binnen “redelijke” grenzen blijven. Bedragen tot 20 euro kunnen als redelijk worden beschouwd.

De beoogde gemeentelijke reglementen zijn alleszins onderworpen aan het administratief toezicht. De toezichthoudende overheid kan tot schorsing en vernietiging van het besluit overgaan wanneer het recht wordt geschonden of het algemeen belang wordt geschaad. Concreet wordt daarbij onderzocht of het beginsel van de redelijkheid niet wordt geschonden.

Voorts wordt aangestipt dat de verjaring door de financieel beheerder ook kan worden gestuit met een aanmaning tot betalen al is hiervoor wel een aangetekende brief nodig.

Op 3 februari is de wet goedgekeurd in de Kamer. Zij treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na afloop van een termijn van 10 dagen vanaf de dag na de publicatie. Gezien de nieuwe wet op 15 maart werd gepubliceerd, betekent dit concreet dat de nieuwe regeling op 1 mei 2017 in werking is getreden. De nieuwe wet is volgens de Administratie van toepassing op de herinneringsbrieven die vanaf die datum worden verzonden. De fiscus heeft eventjes tijd nodig gehad om zich op de maatregel voor te bereiden gezien er in meer gevallen herinneringsbrieven moeten worden gestuurd.   

Auteur: Bart Engelen

 

Meer info?
Contacteer Steven Michiels
Advocaat-Vennoot
t 015/40 49 40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be

Contacteer Bart Engelen
Advocaat
t 015/40 49 40 of bart.engelen@gdena-advocaten.be