De kostendelende vereniging gekortwiekt?

De kostendelende vereniging gekortwiekt?

27 september 2017

Op 21 september 2017 heeft het Hof van Justitie in enkele gelijkaardige arresten het toepassingsgebied van de zelfstandige groeperingen of “kostendelende verenigingen” beperkt. Het Hof stelt dat banken en verzekeringsinstellingen de btw-vrijstelling voor kostendelende verenigingen niet kunnen toepassen voor overkoepelende diensten. Deze arresten zouden ook belangrijke gevolgen kunnen hebben voor overheidsinstellingen, die deel uitmaken van een kostendelende vereniging.

Het nieuwe, sinds 1 juli 2016 van toepassing zijnde, art. 44, §2bis WBTW voorziet in België in een vrijstelling voor “zelfstandige groeperingen” of “kostendelende verenigingen” die diensten verrichten aan hun leden onder de voorwaarde dat:

1. de leden van de groepering op geregelde wijze een activiteit uitoefenen die op grond van art. 44 WBTW is vrijgesteld of waarvoor zij niet belastingplichtig zijn. De vrijgestelde handelingen of de handelingen waarvoor de leden niet belastingplichtig zijn, vertegenwoordigen een overwegend deel van de activiteit van de leden; en

2. de activiteiten van de groepering bestaan in het verrichten van diensten aan haar leden die direct nodig zijn voor hun vrijgestelde activiteit of voor hun activiteit waarvoor zij niet belastingplichtig zijn. Indien de groepering ook handelingen verricht aan niet-leden, vertegenwoordigen de handelingen verricht aan haar leden een overwegend deel van de activiteit van de groepering; en

3. de aan ieder lid aangerekende vergoeding of retributie vertegenwoordigt enkel de terugbetaling van zijn aandeel in de door de groepering gedane gezamenlijke uitgaven; en

4. de vrijstelling leidt niet tot concurrentieverstoring.

Deze Belgische bepaling is de omzetting van de vrijstelling voorzien in art. 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112.

Het Hof van Justitie heeft op 21 september 2017 (zaak C-326/15, DNB Banka; zaak C-605/15, Aviva; zaak C-616/15, Commissie t. Duitsland) geoordeeld dat art. 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112 aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling waarin die bepaling voorziet slechts geldt voor zelfstandige groeperingen waarvan de leden de in dat artikel bedoelde activiteiten van algemeen belang uitoefenen. Diensten van zelfstandige groeperingen waarvan de leden een economische activiteit op het gebied van financiële diensten uitoefenen, die geen dergelijke activiteit van algemeen belang is, komen volgens het Hof niet voor die vrijstelling in aanmerking.

De vrijgestelde diensten “van algemeen belang”, waarnaar het Hof verwijst, zijn deze limitatief opgenomen onder Titel IX, Hoofdstuk 2 “Vrijstellingen voor bepaalde activiteiten van algemeen belang”. Het betreft onder meer openbare postdiensten, ziekenhuisdiensten, medische verzorging, ziekenvervoer, diensten en leveringen welke nauw samenhangen met maatschappelijk werk en met de sociale zekerheid, diensten en leveringen welke nauw samenhangen met de bescherming van kinderen en jongeren, onderwijs en diensten in verband met cultuur en sport.

Financiële diensten ressorteren onder de vrijstelling geformuleerd in Hoofdstuk 3 “Vrijstellingen ten gunste van andere activiteiten”, meer bepaald art. 135 richtlijn 2006/112. Ook onroerende verhuur behoort tot deze groep vrijstellingen.

Deze arresten hebben mogelijks ook een impact op de kostendelende verenigingen waar openbare besturen deel van uitmaken wanneer deze openbare besturen ook andere activiteiten uitoefenen dan ziekenhuisdiensten ... De activiteiten van de lokale besturen dienen ongetwijfeld het algemeen belang, maar reiken vaak verder dan de activiteiten van algemeen belang, die specifiek zijn vermeld in art. 132 van richtlijn 2006/112. In het bijzonder stelt zich de vraag of overheidsactiviteiten, die op grond van art. 6 WBTW buiten de btw-sfeer vallen, maar die zich situeren buiten de activiteiten opgesomd in art. 132 richtlijn 2006/112 zullen kunnen blijven genieten van de btw-vrijgestelde diensten van een kostendelende vereniging.

Vandaag zouden deze arresten nog niet onmiddellijk aanleiding mogen geven tot fiscale geschillen. Het Hof herinnert er immers zelf in de bewuste arresten aan dat de fiscus deze interpretatie niet rechtstreeks tegen belastingplichtigen kan inroepen wanneer de nationale wetgeving ruimer is geformuleerd.

Het Hof stelt dat volgens vaste rechtspraak een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen kan opleggen aan particulieren en dus als zodanig niet kan worden ingeroepen tegenover een particulier. Bijgevolg kunnen de nationale autoriteiten niet met een beroep op artikel 132, lid 1, onder f), van richtlijn 2006/112 weigeren die vrijstelling te verlenen aan zelfstandige groeperingen bestaande uit ondernemingen die zijn vrijgesteld om andere redenen dan het algemeen belang en dus weigeren door die zelfstandige groeperingen verrichte diensten van btw vrij te stellen. Voorts herinnert het Hof er aan dat de verplichting van de nationale rechter om bij de uitlegging en toepassing van de relevante bepalingen van zijn nationale recht te refereren aan de inhoud van een richtlijn begrensd wordt door de algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht en dat zij niet kan dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht (arrest van 15 april 2008, Impact, C-268/06, punt 100).

Het Belgische art. 44, §2bis WBTW verwijst naar de activiteiten vermeld in art. 44 WBTW in het algemeen (dus §§ 1, 2 en 3) en niet enkel naar activiteiten “van algemeen belang” vermeld in art. 132 van de richtlijn 2006/112 (die grotendeels overeenstemmen met art. 44 §§ 1 en 2 WBTW). Dit betekent dat België mogelijks te soepel is geweest bij het omzetten van de btw-richtlijn door het materieel toepassingsgebied te ruim te formuleren. Het nieuwe art. 44, §2bis WBTW is er nochtans gekomen na opmerkingen van de Europese Commissie op de voormalige Belgische regeling voor kostendelende verenigingen. Het is dan ook verbijsterend dat thans nieuwe opmerkingen komen vanuit Europese hoek.

Een toekomstige aanpassing van de wetgeving is dus niet uit te sluiten.

GD&A Advocaten volgt deze materie zoals gebruikelijk op de voet. Op 5 en 19 oktober 2017 organiseert GD&A Advocaten een seminarie omtrent de kostendelende vereniging in de publieke sector.

Auteurs: Steven Michiels, Nathalie Wouters, Andrej Kurliuk

Meer info?
Contacteer Steven Michiels

Advocaat-Vennoot
t 015/40 49 40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be