Er stonden drie kruisen op Golgotha en het (Decreet) Lokaal Bestuur ploegt voort?

Er stonden drie kruisen op Golgotha en het (Decreet) Lokaal Bestuur ploegt voort?

16 oktober 2017

Op de VVSG Trefdag van 12 oktober 2017 volgde eindelijk de langverwachte verlossing. Minister Homans kondigde in navolging van een (zeer) ochtendlijk persbericht aan dat de Raad van State, Afdeling Wetgeving het licht op groen gezet had voor het door de Vlaamse Regering in juni 2017 ingediende ontwerp Decreet Lokaal Bestuur. Het Decreet zou nu, na een in de komende weken volgende derde goedkeuring in de schoot van de Vlaamse Regering, spoorslags kunnen ingediend worden in het Parlement. De teksten zouden nog voor het jaareinde boven de doopvont kunnen worden gehouden, hiermee de lokale besturen toelatend om de toekomst in dit niet evident tijdsgewricht maximaal gewapend tegemoet te treden, met een geïntegreerd en sterker sociaal beleid en minder politieke mandaten als toetje. Een lezing van het angstvallig, in een geheime kluis gekoesterd, advies van de Raad van State noopt na eerste lezing toch tot enige nuance. 

Allereerst het goede nieuws voor de Vlaamse Regering en de voorziene hervorming.

De Raad van State stelt ten aanzien van de ontwerpteksten vast dat de OCMW's als onderscheiden rechtspersoon van de Gemeenten blijven voortbestaan. Er is volgens de Raad ook geen sprake van een bevoegdheidsoverdracht van de OCMW's naar de Gemeenten. De OCMW's behouden bovendien hun eigen organen. Ook al bestaat de OCMW-Raad in beginsel uit dezelfde leden als de gemeenteraad, dit neemt, volgens de Raad van State, niet weg dat de  OCMW-Raad een van de gemeenteraad onderscheiden orgaan is. Daar komt nog bij dat wordt voorzien in de installatie van een bijzonder comité voor de sociale dienst waarvan de samenstelling niet samenvalt met een gemeentelijk orgaan. Het OCMW behoudt tenslotte tevens eigen personeel. Weliswaar staat de algemeen directeur, die een personeelslid is van de gemeente, aan het hoofd van het personeel van het OCMW maar hij rapporteert voor de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het OCMW behoren aan organen van het OCMW. Hetzelfde geldt mutadis mutandis voor de onderrichtingen die hem door onderscheiden organen worden gegeven. Wat deze aangelegenheden betreft regelt het ontwerp, dixit de Raad van State, derhalve niet de band tussen gemeente en het OCMW zodat hier geen schending van de bevoegdheidsverdelende regels voorligt.

Vervolgens echter stelt de Raad van State, in niet mis te verstane bewoordingen, en dit in tegenstelling tot de eerste persberichten en verklaringen, dat zulks niet geldt voor de voorziene regeling rond de beleidsrapportering van de OCMW's. De Gemeenteraad beslist immer mee over de beleidsdoelstellingen en de beleidsopties die in het meerjarenplan van het OCMW worden weergegeven, evenals over de financiële vertaling van die beleidsopties. Dit geldt a fortiori nu de Gemeenteraad bij onenigheid het laatste woord krijgt.  Zodoende statueert de Raad expressis verbis dat de bevoegdheid over een wezenlijk element van het gemeentelijk sociaal beleid wat dit punt betreft wel degelijk onterecht onttrokken wordt aan de OCMW's. Hetzelfde geldt voor de aanpassingen van het meerjarenplan dat de kredieten voor het volgende boekjaar - en derhalve het budget van het OCMW bevat. Hierdoor wordt de beleidsruimte van het OCMW uitgehold om in het kader van artikel 60 & 6 van de organieke wet bijkomende diensten op te richten of bestaande diensten uit te breiden en dit kan niet binnen het huidig wetgevend kader.

Maar er is (veel) meer ...

De Raad vervolgt immers dat één en ander des te prangender is nu de financiering van het OCMW volledig afhangt van het door de gemeente gevoerde beleid!

De dotatie aan het Vlaams Gemeentefonds wordt enkel nog verdeeld over gemeenten en niet over de OCMW's van het Vlaams Gewest. Er worden met andere woorden geen financiële middelen meer toegekend aan OCMW's voor hun werking in het algemeen. Ook de bepaling dat bij tekorten bij het OCMW het verschil wordt bijgepast door de gemeente, wordt niet hernomen. De Raad van State geeft aan dat de huidige regeling ertoe strekt dat middelen door gemeenten kunnen aangewend worden voor het voeren van een sociaal beleid waarvoor niet zij, maar enkel de OCMW's bevoegd zijn.

De Raad besluit dan ook dat uit wat voorafgaat voortvloeit dat de ontworpen regeling inzake de financiering van de OCMW's niet bestaanbaar is met de bevoegdheidsverdelende regels.

Op deze wijze wordt één van de vier essentiële sporen (op het vlak van de planning en de rapportering ) van het voorliggend ontwerp genadeloos geslecht en lijkt de fundering van het nieuw lokaal huis plots wat minder stevig. 

Het valt ook af te wachten hoe de Vlaamse Regering hieraan denkt te remediëren zonder de uitgangspunten van de hervorming (eengemaakt sociaal beleid, efficiëntie en financiële controle van de Gemeenten op hun OCMW's) te verloochenen.

Naast de bevoegdheidsproblematiek en de klassieke overwegingen van de Raad van State rond menigvuldige inconsistenties en onzorgvuldigheden in de voorgestelde regeling,  worden een aantal bepalingen fundamenteel ter discussie gesteld. 

Niet limitatief vindt U hierna de voornaamste conclusies van de Raad van State waarbij een aantal kroonjuwelen van de voorziene regeling lijken te sneuvelen.

Zo wijst de Raad er op dat de bepalingen die de bevoegdheid van de Raad van State en de procedure voor dat rechtscollege regelen , waarbij bijvoorbeeld in het ontwerpdecreet wordt voorzien in de stuiting van de termijn om beroep in te dienen bij de Raad van State ten voordele van diegene die een klacht indient bij de toezichthoudende overheid, een aan de federale wetgever voorbehouden aangelegenheid is.

De gemeenschappen zijn tevens niet bevoegd om te bepalen aan welk sociaal zekerheidsstelsel de personeelsleden van een welzijnsvereniging zijn onderworpen.

Ook de afschaffing van de mogelijkheid van burgers om namens de gemeente op te treden als het college van burgemeester en schepenen nalaat op te treden wordt op basis van het arrest 9/2014 van het Grondwettelijk Hof ter discussie gesteld.

Verder moet de bepaling waarbij een voorgedragen kandidaat-burgemeester die niet werd benoemd, niet meer tijdens dezelfde bestuursperiode kan worden voorgedragen volgens de Raad worden heroverwogen.

Waar nu in de teksten wordt voorzien dat gemeenten met een inwonersaantal dat gelijk of hoger is dan 200.000 gemotiveerd kunnen afwijken van de minimale voorwaarden die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld voor aspecten van de rechtspositieregeling van het gemeentepersoneel, wordt verwezen naar een eerder advies van de Raad waarbij werd geoordeeld dat die regeling niet bestaanbaar is met het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie nu deze afwijkingsmogelijkheid niet begrensd wordt door inhoudelijke criteria.

Gelet deze toch wel essentiële opmerkingen van de Raad van State lijkt een grondige bestudering van het advies, gekoppeld aan een desgevallende heroverweging van een aantal zaken, zeker aan de orde. Lokale besturen verdienen dienaangaande  een rechtszekere basis om de maatschappelijke uitdagingen waar zij vandaag voor staan aan te gaan. Zij vinden wat dit betreft ongetwijfeld verder een partner in de Vlaamse Regering en het Vlaams Parlement die hun terechte bekommernissen op het vlak van efficiëntiewinsten, grotere klantgerichtheid en laagdrempeligheid om de dienstverlening toegankelijker te maken  niet ab ovo in juridisch drijfzand willen laten verzinken. Amicus certus in re incerta cernitur.

GD&A volgt de ontwikkelingen rond het Decreet Lokaal Bestuur voor U verder op de voet.

Auteurs: Cies Gysen en Jonas De Wit

Meer info?
Contacteer Cies Gysen
 
Advocaat - Vennoot 
t 015/40 49 40 of cies.gysen@gdena-advocaten.be

Contacteer Steven Michiels
Advocaat - Vennoot 
t 015/40 49 40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be

Contacteer Jonas De Wit
Advocaat - Departementshoofd Global
t 015/40 49 40 of jonas.dewit@gdena-advocaten.be