AGPB geen geldige verantwoording voor tariefdifferentiatie in gemeentelijke bedrijfsbelastingen.

AGPB geen geldige verantwoording voor tariefdifferentiatie in gemeentelijke bedrijfsbelastingen.

20 december 2018

Op 30 november 2017 oordeelde de Raad van State dat het belastingreglement van de gemeente Maldegem op de economische bedrijvigheid het gelijkheidsbeginsel schendt wanneer aan natuurlijke personen met woonplaats in de gemeente een lager tarief wordt gevraagd. Het integrale arrest vindt u hier.

De gemeente voerde een gemeentebelasting in op de economische bedrijvigheid met een verschillend tarief voor enerzijds de natuurlijke personen met een woonplaats op het grondgebied van de gemeente en anderzijds de natuurlijke personen niet-inwoners of de rechtspersonen met een economische bedrijvigheid op het grondgebied van de gemeente.

De motivering voor deze differentiatie is dat de natuurlijke personen, die zijn ingeschreven in de bevolkingsregisters van gemeente, reeds onderworpen zijn aan de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting (hierna: AGPB) en ze bovendien belangrijke gemeentelijke inkomsten genereren via het Gemeentefonds. De inwoners dragen reeds in belangrijke mate bij tot de gemeentelijke financiering.

De gemeente wenste een billijke en evenwichtige verdeling van de belastingdruk na te streven tussen de personen die een voordeel halen uit de gemeentelijke infrastructuur en de algemene dienstverlening, waarbij ook rekening wordt gehouden met de financiële draagkracht en de invloed op de gemeentelijke uitgaven.

Het belastingreglement schendt het gelijkheidsbeginsel.

Tevergeefs argumenteert de gemeente dat de belasting op de economische bedrijvigheid deels betrekking heeft op diensten en infrastructuur waarvoor de inwoners van de gemeente reeds hebben bijgedragen. Het argument dat de AGPB verschuldigd is omwille van de diensten en de infrastructuur die vooral ten goede komen aan de personen die staan ingeschreven in de bevolkingsregisters, zodat van de beoefenaars van economische activiteiten ook een specifieke bijdrage mag worden gevorderd, overtuigt de Raad van State evenmin.

Het verdict luidt dat het belastingreglement het gelijkheidsbeginsel schendt. De ingevoerde belasting strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, ook al getuigt het van redelijk en goed bestuur om een billijke verdeling van de belastingschuld te betrachten. Hoewel een verschillende behandeling in principe toegelaten is, mits berustend op een objectief criterium en redelijk verantwoord in het licht van de aard en het doel van de belasting, voldoet het betreffende reglement hier niet aan.

De AGPB is als het ware een bijdrage in de gemeentelijke financieringsbehoeften, geheven in hoofde van diegenen die in de bevolkingsregisters staan ingeschreven, wegens het voordeel dat de belastingplichtige haalt uit de gemeentelijke voorzieningen, doordat hij zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft.

Of de belastingplichtige ook nog een ander voordeel haalt uit deze gemeentelijke voorzieningen, door het uitoefenen van een economische bedrijvigheid op het grondgebied van de gemeente, is niet van belang. Daarenboven maakt het tarief in de AGPB geen onderscheid naargelang de inwoner al dan niet een economische bedrijvigheid uitoefent. Of de exploitant van de economische bedrijvigheid al dan niet ingeschreven is in de bevolkingsregisters, heeft geen invloed op het voordeel dat hij haalt uit de gemeentelijke voorzieningen.

De Raad van State is daarom van oordeel dat de bijdrage die een inwoner van een gemeente levert wegens het genot van de gemeentelijke diensten losstaat van een eventueel verschuldigde bijdrage in de hoedanigheid van exploitant van een economische activiteit. Dat natuurlijke personen die hun woonplaats hebben op het grondgebied van de gemeente en onderworpen zijn aan de AGPB daarom meer bijdragen tot de gemeentelijke financiën, doet er volgens de Raad van State niet toe.

De conclusie is dus dat de onderworpenheid aan de AGPB geen verantwoording kan zijn voor verregaande begunstigingen inzake het tarief van de belasting op de economische bedrijvigheid.

Het gevolg is dat het onderscheid in de tarifering, zoals in het bestreden belastingreglement op de economische bedrijvigheid, op basis van het al dan niet ingeschreven zijn in de bevolkingsregisters van de gemeente, een onwettige verscheidenheid in behandeling invoert, waardoor het belastingreglement het gelijkheidsbeginsel schendt.

Het arrest van de Raad van State hoeft niet te verwonderen vermits de Raad zich reeds eerder negatief had uitgesproken over gemeentebelastingen enkel verschuldigd door rechtspersonen en niet door natuurlijke personen die reeds door de gemeente worden belast via de AGPB (R.v.St. nr. 129.347, 16 maart 2004 en R.v.St. nr. 213.750, 8 juni 2011).

Anderzijds lijkt dit arrest dan weer in contrast te staan tot de rechtspraak van het Hof van Cassatie, waarin een onderscheid tussen rechtspersonen en natuurlijke personen in een belastingreglement op economische activiteiten gerechtvaardigd wordt geacht omdat natuurlijke personen reeds bijdragen tot de gemeentefinanciën via de AGPB (Cass. AR F.06/0030, 4 oktober 2007 (Gemeente Avelgem / Woonburo De Groote)).

GD&A Advocaten volgt, als partner van de lokale besturen en als specialist lokale belastingen in het bijzonder, deze materie op de voet. Indien u vragen heeft, aarzel dan niet om ons te contacteren.

Auteurs: Steven Michiels, Nathalie Wouters en Wendy Rombouts

Meer info?
Contacteer Steven Michiels

Advocaat-Vennoot
t 015/40 49 40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be