Een verklaring op eer is geen substituut voor het UEA.

Een verklaring op eer is geen substituut voor het UEA.

20 april 2018

Middels een arrest van 30 januari 2018 (nr. 240.618) oordeelt de Raad van State dat het niet aanleveren van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument een grond vormt om een offerte te weren wegens substantieel onregelmatig. Dit kan niet gecorrigeerd worden door louter te verwijzen naar een bijgevoegde verklaring op eer.

De zaak die werd voorgelegd aan de Raad van State betreft een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tegen de gunningsbeslissing genomen door de HVZ Oost Vlaams-Brabant in het kader van een overheidsopdracht voor leveringen dat als voorwerp de aankoop van vier autopompen had.

De opdracht - onderverdeeld in twee percelen - werd gegund middels een openbare procedure. De aanbestedende overheid besliste om de offerte van de verzoekende partij te weren aangezien laatstgenoemde geen Uniform Europees Aanbestedingsdocument had toegevoegd aan haar offerte. De beslissing tot wering werd gesteund op artikel 76 §1, 2° KB Plaatsing, hetgeen stelt dat de niet-naleving van de vereiste vervat in artikel 38 van datzelfde KB resulteert in een substantiële onregelmatigheid. Artikel 38 KB Plaatsing schrijft voor dat, in het kader van Europese opdrachten, op het moment van de indiening van de aanvragen tot deelneming of de offertes, een ingevuld Uniform Europees Aanbestedingsdocument voorhanden dient te zijn. Voor de aanbestedende overheid was het in deze aldus een uitgemaakte zaak om de offerte van verzoekende partij te weren.

Verzoekende partij nam echter geen genoegen met de beslissing tot wering vanwege. Zij steunde haar vordering onder andere op de vermeende schending van artikel 73 Overheidsopdrachtenwet en artikel 76 KB Plaatsing. In essentie betoogde zij dat artikel 73 Overheidsopdrachtenwet de keuze laat tussen enerzijds het bijvoegen van het Uniform Europees Aanbestedingsdocument en anderzijds, certificaten die bevestigen dat de betrokken kandidaat of inschrijver aan de vermelde voorwaarden voldoet. Een offerte was volgens haar niet substantieel onregelmatig wanneer - zoals te dezen - in de offerte een verklaring op eer werd voorgelegd waaruit bleek dat aan de voorwaarden was voldaan.

De Raad van State volgde deze redenering niet. De Raad maakte vooreerst gewag van het gegeven dat de overheidsopdracht de drempel voor de Europese bekendmaking overschreed. In tegenstelling tot hetgeen verzoekende partij stellig poneerde, kon bovendien geen keuzemogelijkheid uit artikel 73 Overheidsopdrachtenwet afgeleid worden. Het artikel vereist immers formeel dat “op het ogenblik van de indiening” van de aanvragen tot deelneming of de offertes naargelang het geval, het ingevulde Uniform Europees Aanbestedingsdocument wordt voorgelegd. Het alternatief waarvan de verzoekende partij gewag maakte, werd door de Raad van State niet vastgesteld in de kwestieuze bepaling. Ook artikel 38 KB Plaatsing bevestigt het ontbreken van het voornoemde alternatief.

Gelet op het voorgaande concludeerde de Raad dat een bijgevoegde verklaring op eer geenszins het ontbrekende Uniform Europees Aanbestedingsdocument mag vervangen. De Raad vermeldde overigens dat de niet-naleving van het vereiste vervat in artikel 38 KB Plaatsing door artikel 76 van datzelfde KB bestempeld wordt als een substantiële onregelmatigheid, dewelke in het kader van een openbare procedure moet leiden tot de nietigheid van de desbetreffende offerte.

Bij Europese opdrachten vormt een ingevuld Uniform Europees Aanbestedingsdocument een dus onlosmakelijk onderdeel van een offerte. Het een kan niet zonder het ander...

 

Auteur: Fabian Swennen, i.s.m. Gitte Laenen

Meer info?
Contacteer Gitte Laenen

Advocaat-vennoot
015/40 49 40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be