Verrijzenis vervallen handelsvestigingsvergunningen ongrondwettelijk.

Verrijzenis vervallen handelsvestigingsvergunningen ongrondwettelijk.

14 mei 2018

De Vlaamse Regering stelde op 9 maart 2018 (B.S. 24 april 2018) de inwerkintreding van bepaalde delen van het decreet integraal handelsvestigingsbeleid (DIH) uit naar 1 augustus 2018. Op 26 april 2018 verklaarde het Grondwettelijk Hof evenwel de reeds doorgevoerde retroactieve inwerkingtreding van het DIH ongrondwettelijk. Het Hof oordeelde dat de retroactieve inwerkingtreding tot gevolg kan hebben dat een reeds definitief vervallen handelsvestigingsvergunning herleeft. Dergelijke “verrijzenis” van definitief vervallen handelsvestigingsvergunningen doet afbreuk aan de rechten van derden en werd ongrondwettig bevonden.

Achtergrond

De wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen bepaalt dat een handelsvestigingsvergunning van rechtswege vervalt wanneer binnen vier jaar na de aflevering ervan de uitvoering van het project niet werd aangevat. Deze termijn kan met één jaar worden verlengd.

Het gevolg hiervan is dat heel wat verleende handelsvestigingsvergunningen van rechtswege vervallen door complicaties met de bouw- of milieuvergunning, waardoor geen aanvang kon worden genomen met kleinhandelsactiviteiten.

Verval vergunning en schorsing vervaltermijn wegens vernietigingsprocedure

Het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid bepaalt parallel aan de wet van 13 augustus 2004 dat de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten van rechtswege vervalt indien de kleinhandelsactiviteiten niet aanvangen binnen vijf jaar na het verlenen van de definitieve omgevingsvergunning.

Om een antwoord te bieden op de vervalproblematiek, voorziet het DIH in een schorsing van de vervaltermijn zolang een beroep tot vernietiging van de omgevingsvergunning aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Het DIH last een gelijkaardige schorsing in van de vervaltermijn voor handelsvestigingsvergunningen die conform de federale wetgeving werden afgeleverd. Concreet wordt de vervaltermijn zoals bepaald door de wet van 13 augustus 2004 geschorst zolang een beroep tot vernietiging van de vergunning of andere vergunningen, machtigingen of toelatingen die nodig zijn voor hetzelfde project aanhangig is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen of bij de Raad van State. Daarnaast wordt de vervaltermijn voor handelsvestigingsvergunningen ook geschorst zolang de bouw- of milieuvergunning niet definitief werd verleend (art. 52 DIH).

Bijzonder is echter dat art. 59 DIH deze schorsing van de vervaltermijn met terugwerkende kracht invoerde, te weten vanaf 1 juli 2014. Dit betekende dat handelsvestigingsvergunning die op 1 juli 2014 nog geldig waren geweest, maar in de periode na 1 juli 2014 definitief waren vervallen, ingevolge art. 59 DIH niet langer als “vervallen”, maar slechts als “geschorst” moesten worden beschouwd.

Of, anders gesteld: art. 59 DIH wekte definitief vervallen handelsvestigingsvergunningen weer tot (geschorst) leven.

Herleving vervallen handelsvestigingsvergunningen ongrondwettelijk

In arrest nr. 51/2018 van 26 april 2018 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat deze retroactieve toepassing van de schorsing van de vervaltermijn voor handelsvestigingsvergunningen ongrondwettelijk is. Wanneer definitief vervallen handelsvestigingsvergunningen terug tot leven komen, kunnen er tal van conflicterende situaties ontstaan, die de rechtszekerheid voor derden in het gedrang brengen.

De retroactieve toepassing van de schorsing had immers tot gevolg dat bv. aan onderneming A een vergunning wordt geweigerd omdat de definitief vervallen handelsvestigingsvergunning van onderneming B binnen hetzelfde projectgebied door art. 59 DIH tot leven werd gewekt. Een ander mogelijk gevolg was dat indien onderneming A dan toch een vergunning zou krijgen, deze vergunning zou conflicteren met de gereanimeerde vergunning van onderneming B.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dan ook dat dergelijke verrijzenis van vervallen vergunningen de rechtszekerheid ondermijnen “voor derden die zich in hun handelen hebben laten leiden door het verval van de toegekende handelsvestigingsvergunningen”. Bijgevolg vernietigde het Hof art. 59 van het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid.

Schorsing vervaltermijn geldige handelsvestigingsvergunning niet ongrondwettig

Het Grondwettelijk Hof achtte de schorsing van de vervaltermijn van handelsvestigingsvergunningen die weliswaar volgens de federale wetgeving werden verleend, maar nog steeds geldig zijn, wél grondwettig. Het arrest doet bijgevolg de vraag rijzen voor welke handelsvestigingsvergunningen de vervaltermijn zullen worden geschorst, en vanaf wanneer.

Het Besluit van de Vlaamse Regering dd. 9 maart 2018 (B.S. 24 april 2018) bepaalt dat artikel 11, artikel 12, artikel 13 en artikel 32 tot en met artikel 51 van het decreet van 15 juli 2016 betreffende het integraal handelsvestigingsbeleid in werking zullen treden op 1 augustus 2018.

Artikel 52 DIH, dat voorziet in de schorsing van de vervaltermijn voor handelsvestigingsvergunningen , trad conform artikel 59 DIH retroactief in werking op 1 juli 2014. Door de vernietiging van artikel 59 DIH is op moment van schrijven niet duidelijk vanaf wanneer schorsing van de vervaltermijn voor handelsvestigingsvergunningen mogelijk zal zijn.

De datum van inwerkingtreding van deze schorsingsmogelijkheid zal bijgevolg nog door de Vlaamse Regering moeten worden bepaald.

Auteur: Willem-Jan Ingels

Meer info?
Contacteer Tom Swerts
Advocaat-vennoot
t 015/40 49 40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be