Cassatie beperkt verplichting tot inhouding roerende voorheffing voor lokale besturen: pyrrusoverwinning?

Cassatie beperkt verplichting tot inhouding roerende voorheffing voor lokale besturen: pyrrusoverwinning?

3 juli 2018

Naar aanleiding van recente cassatierechtspraak, die dateert van 10 november 2017, heeft de FOD Financiën op 2 mei 2018 de circulaire 2018/C/52 gepubliceerd over de schuldenaar van de roerende voorheffing. Dit is goed nieuws voor gemeenten en OCMW's, die allen onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting. Het aantal situaties waarin zij zelf roerende voorheffing moeten doorstorten, wordt immers beperkt.

Het Hof van Cassatie heeft zich op 10 november 2017 uitgesproken over twee zaken waarin discussie werd gevoerd aangaande de draagwijdte van artikel 262, 1°, a) WIB 92, dat gaat over wie de roerende voorheffing moet inhouden wanneer de genieter aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen.

Het standpunt van de fiscus is enkele malen gewijzigd. Tot voor kort gold de interpretatie zoals neergeschreven in de circulaire AAFisc 27/2015 (Ci.RH.233/636.486) van 15 juni 2015, dit naar aanleiding van een eerder cassatiearrest. Voordien was de circulaire van 21 maart 2001 (Ci.RH.233/531.107) van toepassing. Artikel 3 van de circulaire AAFisc. 27/2015 voorziet dat in het geval de verkrijger van een roerend inkomen onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting en er tevens op dit roerend inkomen door de schuldenaar van de inkomsten géén roerende voorheffing werd ingehouden, de verkrijger van dit inkomen van rechtswege de schuldenaar wordt van de roerende voorheffing. Zo zou de doorstortingsplicht dus terechtkomen op de schouders van de verkrijger van de roerende inkomsten die onderworpen is aan de rechtspersonenbelasting.

Het Hof van Cassatie werpt nu echter een ander licht op de zaak in haar arresten van 10 november 2017 en grijpt daarmee terug naar de opvattingen zoals vermeld in de circulaire van 21 maart 2001 (Ci.RH.233/531.107).

Artikel 262, 1°, a) WIB 92 impliceert bijgevolg dat de betaler van roerende inkomsten, die ten onrechte de roerende voorheffing niet inhoudt, niet van haar verplichting ontheven is indien de verkrijger van de roerende inkomsten aan de RPB onderworpen is. De verplichting tot betalen van de roerende voorheffing verschuift dus niet naar de verkrijger van de roerende inkomsten.

De visie van het Hof van Cassatie wordt nu ook gedragen door de fiscus en is verankerd in de Circulaire 2018/C/52 van 2 mei 2018.

Belang voor lokale besturen

Concreet betekent dit voor de gemeenten en OCMW's, allen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, dat zij voor de roerende inkomsten die ze innen enkel en alleen als schuldenaar van de roerende voorheffing zullen worden aangeduid wanneer de niet-inhouding van de roerende voorheffing aan de bron een rechtsgrond heeft. Slechts indien wettelijk bepaald is dat de schuldenaar van de roerende inkomsten de roerende voorheffing niet dient in te houden, zal de gemeente of het OCMW als schuldenaar van de roerende voorheffing worden aanschouwd.

Financiële instellingen zijn het uiteraard gewend om roerende voorheffing in te houden, zodat zich op het vlak van intresten allicht geen moeilijkheden voordoen. Anders is de situatie bij de “inkomsten van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van roerende goederen” belastbaar ingevolge art; 17, §1, 3° WIB 92. Ook voor deze inkomsten, waarvan de belastbaarheid voor het overige door de lokale besturen fel wordt betwist, dient alleen de schuldenaar van de inkomsten voor de inhouding van de roerende voorheffing in te staan. De fiscus zal in de toekomst dus niet meer bij de lokale besturen kunnen aankloppen, maar nog enkel bij de individuele schuldenaar van de inkomsten.

De fiscus bevestigt in de Circulaire 2018/C/52 van 2 mei 2018 dat deze nieuwe benadering ook van toepassing is op lopende geschillen.

Pyrrusoverwinning?

Het standpunt van het Hof van Cassatie beperkt in elk geval de mogelijkheden van de fiscus om zich tot de lokale besturen zelf te richten voor de inning van de roerende voorheffing. Op het eerste zicht is dit positief nieuws. Dit betekent evenwel niet dat de roerende voorheffing helemaal niet meer verschuldigd is. Op dat vlak wijzigt er immers niets. De inhouding door de lokale besturen was een vrij pragmatische oplossing vermits de verenigingen, (die bv. materialen huren bij de gemeentelijke uitleendienst) en andere partners van de gemeente vaak onvoldoende fiscale kennis en organisatie hebben om zelf in te staan voor de inhouding en doorstorting van de roerende voorheffing. Het standpunt van het Hof van Cassatie zal tot gevolg hebben dat deze verenigingen,... hun fiscale verantwoordelijkheid nu toch zullen moeten opnemen. Mogelijks komen zij op hun beurt bij de lokale besturen aankloppen voor bijstand.

Auteur: Steven Michiels, Wendy Rombouts en Nathalie Wouters


Meer info?
Contacteer Steven Michiels

Advocaat-vennoot
t 015/40 49 40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be