Overheidspersoneel. Een versoepeling van de uitzendarbeid bij (lokale) besturen: flexibel inspelen op gewijzigde werkomstandigheden binnen uw bestuur.

Overheidspersoneel
Een versoepeling van de uitzendarbeid bij (lokale) besturen: flexibel inspelen op gewijzigde werkomstandigheden binnen uw bestuur.

18 juli 2018

Op 16 mei 2018 werd het decreet van 27 april 2018 betreffende de uitzendarbeid in de Vlaamse overheidsdiensten en de lokale besturen in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Met de inwerkingtreding van dit decreet (sedert 26 mei 2018) worden de mogelijkheden van uitzendarbeid voor lokale besturen uitgebreid en zijn deze niet meer beperkt tot de tijdelijke vervanging van contractuele medewerkers.

De motieven op basis waarvan besturen uitzendkrachten - zijnde personen die tijdelijke arbeid leveren in het kader van een arbeidsovereenkomst voor uitzendarbeid - kunnen inschakelen, worden door het decreet van 27 april 2018 uitgebreid.

Uitzendarbeid wordt mogelijk gemaakt voor de volgende overheidswerkgevers: de provincies, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de openbare instellingen en publiekrechtelijke agentschappen (autonome gemeentebedrijven, autonome provinciebedrijven) en verenigingen (OCMW - en gemeenteverenigingen) die ervan afhangen, alsook de intergemeentelijke samenwerkingsverbanden (= intercommunales) en de openbare instellingen van de erkende erediensten zoals bedoeld in het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten.

Dat de aanpassingen welgekomen zijn, staat vast.

Uitzendarbeid zal immers een flexibele oplossing kunnen bieden voor vele lokale besturen die kampen met een onvoorziene vervanging, dan wel in situaties waarbij plotse extra taken opduiken of bij bepaalde gebeurtenissen of onvoorziene omstandigheden waarbij extra personeel noodzakelijk wordt.

Concreet gaat het om de volgende vormen van uitzendarbeid die mogelijk worden gemaakt (art. 4):

tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de arbeidsovereenkomst is geschorst;

tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid van wie de arbeidsovereenkomst is beëindigd;

tijdelijke vervanging van een contractueel personeelslid met deeltijdse loopbaanonderbreking of met
vermindering van de arbeidsprestaties in het kader van het zorgkrediet;

tijdelijke vervanging van een ambtenaar die zijn ambt niet of slechts deeltijds uitoefent;

een tijdelijke vermeerdering van werk;

uitvoering van uitzonderlijk werk (nog te definiëren bij koninklijk besluit) 

in het kader van tewerkstellingstrajecten;

voor artistieke prestaties of artistieke werken

De werkgever-gebruiker zal bij uitzendarbeid geen ontslagvergoeding verschuldigd zijn. De uitzendkrachten zijn namelijk bij arbeidsovereenkomsten verbonden aan het uitzendbureau, hun juridische werkgever, en niet aan de werkgever-gebruiker. Ook loonkosten inzake afwezigheden ingevolge ziekte of arbeidsongeval zijn niet verschuldigd.

Aangezien de uitzendkracht geen personeelslid wordt van de (lokale) overheid, is hij ook niet onderworpen aan de rechtspositieregeling van het (lokaal) bestuur. De rechtspositieregeling van de uitzendkrachten blijft, net zoals bij uitzendarbeid in de privésector, gewaarborgd door het Sociaal Fonds en de Commissie van goede diensten. Dit is opvallend, aangezien beide organen bij CAO zijn opgericht en de overheidswerkgevers niet onder de CAO-wet vallen. Meer bepaald zijn deze organen opgericht door het paritair comité (PC) nr. 322, dat bevoegd is voor de uitzendbureaus en 'hun' uitzendkrachten, onder wie dus ook die die bij de overheid zijn tewerkgesteld.

Niettemin zijn er enkele verschillen waarmee de (lokale) overheden rekening moeten houden.

Zo zal de duur van de uitzendarbeid steeds beperkt blijven tot een maximale periode van 12 maanden (inclusief eventuele verlengingen) en ook de kostprijs lijkt hoger te liggen dan bij contractuele tewerkstelling. Dit is anders dan in de privésector waar de maximale duurtijd afhankelijk is van het motief voor uitzendarbeid. Het 'motief instroom', zoals opgenomen in de Uitzendarbeidswet, is trouwens niet opgenomen in het decreet. Dit zou immers een schending kunnen uitmaken  van het gelijkheidsbeginsel dat bij contractuele indienstnemingen in de overheidssector moet worden nageleefd. Het doel van de vorm "motief Instroom" is namelijk om uitzendkrachten een kans te geven om kennis te maken met een welbepaalde werkomgeving en de gebruiker toe te laten om hun competenties en attitudes te evalueren, met bij een positieve evaluatie een verplichte indienstneming met een contract voor onbepaalde duur tot gevolg.

Indien een lokaal bestuur gebruik wenst te maken van uitzendarbeid, dan komt het aan de raad toe om het concrete kader vast te stellen. Het uitvoerend orgaan heeft enkel de bevoegdheid om een beroep te doen op uitzendarbeid binnen het kader dat door de raad wordt vooropgesteld. Op deze manier zijn niet alle in het decreet voorziene vormen van uitzendarbeid automatisch toegelaten binnen een lokaal bestuur. Een voorafgaande onderhandeling met de vakorganisaties - in toepassing van het syndicaal statuut - is daarbij noodzakelijk.

Concreet zal de indienstneming gebeuren door het uitvoerend orgaan van het lokaal bestuur en dit binnen het kader dat door de raad werd vastgelegd. Er kan eventueel wel een delegatie van deze bevoegdheid plaatsvinden aan het hoofd van het personeel. In tegenstelling tot de aanstellingsbevoegdheid lijkt de indienstneming van een uitzendkracht aldus onder het begrip dagelijks personeelsbeheer te kunnen vallen. Daarnaast dienen de vakorganisaties bij elke indienstneming van een uitzendkracht, vooraf ingelicht te worden. Het betreft hier louter een voorafgaande kennisgeving en aldus geen toestemming van de vakorganisaties.

Tenslotte, zullen de (lokale) overheden er ook op moeten toezien dat de aanstelling van het uitzendarbeidsbureau waarop een beroep wordt gedaan op een correcte wijze verloopt.

Het staat vast dat deze uitbreiding van uitzendarbeidsmogelijkheden aan lokale besturen meer kansen zal bieden om kort op bal te spelen bij eventueel (tijdelijk) personeelstekort. De vraag is of de besturen ook bereid zullen zijn om hiervoor een extra kostprijs te betalen, o.a. de overheadkost van het uitzendarbeidsbureau en 21% BTW (voor sommige entiteiten evenwel te verrekenen).

 
Auteur: Jente Wouters en Chloé Van Landeghem

Meer info?
Contacteer Gitte Laenen

Advocaat-vennoot
t 015/40 49 40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be

Contacteer Stéphanie Taelemans
Advocaat-departementshoofd
t 015/40 49 40 of stephanie.taelemans@gdena-advocaten.be