De (verplichte) consignatie bij discussies over rechtstreekse vordering van een onderaannemer

De (verplichte) consignatie bij discussies over rechtstreekse vordering van een onderaannemer

30 juli 2018

Door de wet van 11 juli 2013 tot wijziging van het burgerlijk wetboek wat de zakelijke zekerheden op roerende goederen betreft en tot opheffing van diverse bepalingen ter zake, ook  Pandwet genaamd, is de bouwheer voortaan verplicht om in geval van onenigheid tussen de onderaannemer en aannemer het bedrag waarvoor een rechtstreekse vordering door de onderaannemer wordt gesteld bij de bouwheer voortaan te storten in de Deposito- en Consignatiekas.

Op vele werven is het schering en inslag: tussen de (hoofd-)aannemer en diens onderaannemer rijzen discussies over correcte betaling van de uitgevoerde werken van de onderaannemer. De onderaannemer meent recht te hebben op betaling van de uitgevoerde werken, terwijl de hoofdaannemer weigert deze betalingen om diverse redenen, opmerkingen over de uitvoering van de werken, facturen zijn nog niet opeisbaar of bevatten onverschuldigde posten, edm. In afwachting van het verder verloop van het geschil kan de onderaannemer vervolgens een rechtstreekse vordering bij de bouwheer instellen om de betaling van de (verschuldigde) facturen te bekomen, maar vooral ook om diens voorrecht te verzekeren in het geval de (hoofd-)aannemer failliet zou gaan. Dit recht wordt hem geboden door artikel 1798 BW. De bouwheer die hiermee geconfronteerd wordt dient hier voorzichtig mee om te gaan. Door de rechtstreekse vordering kan de bouwheer de facto niet meer bevrijdend betalen aan de hoofdaannemer en loopt deze het risico een tweede keer te betalen aan de onderaannemer als de bouwheer dit toch zou doen. Betaalt de bouwheer niet aan de (hoofd-) aannemer is er kans dat de factuurschuld vermeerderd wordt met intresten en zelfs forfaitaire schadevergoeding, of nog erger, stillegging van de werken. De wetgever heeft hier thans een mouw aan gepast door de bouwheer in dat voorkomend geval het bedrag waarvoor de rechtstreekse vordering wordt gesteld te consigneren bij de Deposito- en Consignatiekas of op een geblokkeerde rekening op naam van de aannemer en onderaannemer bij een financiële instelling. De bouwheer is daartoe bovendien verplicht wanneer de onderaannemer die de rechtstreekse vordering heeft gesteld of de (hoofd-)aannemer daarom uitdrukkelijk verzoekt. Niet onbelangrijk is hierbij te vermelden dat i) de bouwheer hiertoe enkel gehouden is wanneer de bouwheer effectief bedragen verschuldigd is ten aanzien van de (hoofd-)aannemer, ii) en deze regeling ook geldt in elke verdere cascade van onderaanneming (bv tussen tweede onderaannemer met een rechtstreekse vordering van een vierde onderaannemer,...). Deze nieuw regeling is in werking getreden op 1 januari 2018.

De vraagt rijst of met deze wetswijziging wel alle problemen zijn opgelost. De onbetaalde onderaannemer, maar ook de hoofdaannemer,  zal mogelijk dreigen zijn verplichtingen te schorsen en de werken thans stil te leggen, wat thans nefast kan zijn voor de bouwheer die geen uitstaan heeft met deze discussie. De onderaannemer loopt hierdoor wel het risico zijn doel voorbij te schieten aangezien de bouwheer zijn schade zal compenseren met eventuele openstaande bedragen van diens (hoofd-)aannemer die deze schade ook zal trachten door te schuiven naar de onderaannemer. Boodschap voor alle bouwactoren is dan ook: bezint eer ge begint. Met een portie gezond verstand en rede zouden de betrokken bouwactoren een (al is het een tijdelijke) regeling moeten kunnen treffen.

 

Auteur: Peter Gansbeke

Meer info?

Contacteer Peter Gansbeke
Advocaat
t 015/40 49 40 of peter.gansbeke@gdena-advocaten.be