OVERHEIDSPERSONEEL - Hoorplicht en motiveringsplicht in hoofde van de overheid bij het ontslag contractueel aangestelde werknemers? Het Grondwettelijk Hof spreekt zich uit.

OVERHEIDSPERSONEEL - Hoorplicht en motiveringsplicht in hoofde van de overheid bij het ontslag contractueel aangestelde werknemers? Het Grondwettelijk Hof spreekt zich uit.

24 augustus 2018

Middels arrest van 6 juli 2017 poogde het Grondwettelijk Hof een einde te maken aan de controverse rond de toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name de voorafgaande hoorplicht bij ontslag toegepast op de relatie tussen overheden en hun contractuele personeelsleden.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde, andersluidend dan het Hof van Cassatie, dat overheden verplicht zijn om ook personeelsleden die vallen onder de arbeidsovereenkomstenwet te horen voorafgaand aan hun ontslag.

De vraag bleef echter of de conclusie van het arrest ook naar andere beginselen van behoorlijk bestuur moest worden uitgebreid. Vorige maand oordeelde het Grondwettelijk Hof zich in een gelijkaardige zaak waarin de toepassing van de motiveringsplicht bij ontslag van een contractueel personeelslid ter discussie stond. Niettemin kwam het Grondwettelijk Hof tot een ander besluit...

Arrest Grondwettelijk Hof 6 juli 2017

Aan de basis van het arrest lag een geschil tussen de gemeente Evere en een ontslagen contractueel personeelslid. Het ontslagen personeelslid voerde aan dat haar rechten van verdediging, zijnde haar recht om gehoord te worden op basis van het beginsel van behoorlijk bestuur audi alteram partem, geschonden waren omdat de gemeente Evere haar niet had gehoord voorafgaand aan haar ontslag.

Het Hof van Cassatie had over deze kwestie twee jaar eerder al een arrest geveld (12 oktober 2015, S.13.0026.N). Daarin oordeelde het Hof dat de wet inzake de motivering van bestuurshandelingen van 1991 evenals de beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing zijn op de verbreking van een arbeidsovereenkomst tussen een overheid en een contractueel personeelslid van het openbaar ambt.

Omdat er best wel wat controverse bestond over deze cassatierechtspraak, besloot de arbeidsrechter van de Franstalige rechtbank te Brussel om twee prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof omtrent de artikelen 32, 3° en 37, §1, Arbeidsovereenkomstenwet. Deze bepalingen stellen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde duur kan beëindigd worden door de wil van de partijen en dat dit kan gebeuren door opzegging van de ene partij aan de andere.

De arbeidsrechter vroeg aan het Grondwettelijk Hof of de artikelen 32, 3° en 37, §1 van de Arbeidsovereenkomstenwet, zo geïnterpreteerd dat een contractuele werknemer niet het recht heeft om gehoord te worden voor zijn ontslag, strijdig zijn met artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Tweede prejudiciële vraag: omgekeerde van de eerste

Beoordeling

Hoewel het tot de vaste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof behoort dat statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden van overheden niet vergelijkbaar zijn vanwege hun verschillende rechtspositie en specifieke kenmerken, verhindert deze rechtspraak niet dat zij zich in een vergelijkbare situatie kunnen bevinden.

Volgens het Hof bevindt een contractueel tewerkgestelde werknemer zich bij ontslag door de overheid niet in een andere situatie dan een statutaire ambtenaar ten aanzien van de toepassing van het audi alteram partem - beginsel.

Bijgevolg besloot het Hof dat het objectieve verschil tussen de statutaire en contractuele arbeidsrelatie van overheidspersoneel een onderscheid in behandeling bij de uitoefening het audi alteram partem beginsel niet kan verantwoorden.

Ten slotte oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de artikelen 32, 3° en 37, §1 van de arbeidsovereenkomstenwet waarbij de overheid de contractuele werknemer niet vooraf moet horen bij ontslag, een schending inhoudt van artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Arrest Grondwettelijk Hof 5 juli 2018

De feiten van dit arrest zijn gelijkaardig aan dat van 6 juli 2018, het betreft immers wederom het ontslag van een contractueel personeelslid bij een lokale overheid. Het personeelslid eiste van de gemeente La Bruyère een schadevergoeding omdat zijn ontslag niet werd gemotiveerd en hij vooraf niet werd gehoord. Daar de arbeidsrechter te Luik van oordeel was dat het cassatiearrest van 12 oktober 2015 geen einde maakte aan de onenigheid over de toepassing van de hoorplicht en de wet inzake de motivering van bestuurshandelingen van 1991 op contractuele personeelsleden, besloot deze om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof.

In die prejudiciële vraag vroeg de arbeidsrechter of de wet van 19 juli 1991 in samenlezing met artikel 6 EVRM, zo geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is op het ontslag van contractuele personeelsleden van een openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt.

Beoordeling

In eerste instantie leek te kunnen worden verwacht dat het Grondwettelijk Hof - naar analogie met haar arrest van 6 juli 2017 - zou oordelen dat, net als de hoorplicht op basis van het audi alteram partem beginsel, ook de motiveringsplicht als beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing zou zijn op het ontslag van een contractueel personeelslid door de overheid.

Het Hof stelde, net als in 2017, dat de verschillende rechtspositie van statutaire ambtenaren en contractuele personeelsleden geen afbreuk doet aan het feit dat ze zich in een vergelijkbare situatie kunnen bevinden.

In tegenstelling tot vorig arrest spelen de specifieke kenmerken die het statuut ten opzichte van de arbeidsovereenkomst met zich mee brengt, wat betreft de motiveringsplicht, echter wel een rol. De statutaire ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een ambtsbeëindiging en het contractuele personeelslid dat zijn opzegging krijgt, bevinden zich volgens het Hof namelijk ten aanzien van de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen in een verschillende situatie.

Het ambt van de statutair ambtenaar kan slechts beëindigd worden op grond van redenen die uitdrukkelijk vermeld staan in zijn statuut. Het vast karakter van zijn betrekking vormt dus een fundamenteel kenmerk van het statutair ambt. Als gevolg van zijn ontslag heeft de ambtenaar de mogelijkheid om binnen de zestig dagen beroep aan te tekenen bij de Raad van State. Vanwege die relatief korte termijn is het noodzakelijk dat de ambtenaar de redenen van zijn ontslag goed kent.

Het contractuele personeelslid, daarentegen, is onderworpen aan de regels van de Arbeidsovereenkomstenwet. Dat houdt in dat hij vanaf zijn ontslag een termijn van een jaar heeft om zijn ontslag te betwisten bij de arbeidsrechtbank. Deze termijn biedt volgens het Hof voldoende mogelijkheid om naar de redenen van zijn ontslag te vragen.

Bijgevolg oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, zo geïnterpreteerd dat zij niet van toepassing is op het ontslag van een contractueel personeelslid van het openbaar ambt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet samen gelezen met artikel 6 EVRM , niet schendt.

Er kan dus geconcludeerd worden dat volgens het Grondwettelijk Hof de hoorplicht op basis van het audi alteram partem beginsel wél van toepassing is op het ontslag van een contractueel werknemer door de overheid, doch de formele motiveringsplicht op basis van de wet van 29 juli betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is dat echter niet.


Auteurs: Fien De Roos, zomerstagiaire
               Gitte Laenen, Advocaat-vennoot

Meer info?
Contacteer Gitte Laenen
Advocaat-vennoot
t 015/40 49 40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be