Te ruime vrijstelling bedreigt leegstandsheffing

Te ruime vrijstelling bedreigt leegstandsheffing

27 februari 2019

De fiscale autonomie van de gemeenten laat hen toe om gelijk welke materie aan belastingen te onderwerpen en hiervoor de nodige belastingreglementen op te stellen en in werking te laten treden. Rechtspraak toont echter aan dat het zeker geen evidentie is om een belastingreglement op te maken dat de rechterlijke toets doorstaat. Recent werd dit nog maar eens bevestigd door een arrest van het Hof van Beroep Gent inzake de leegstandsheffing.

Principe

Het argument dat met wisselend succes door belastingplichtigen wordt aangehaald is de schending van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Dit beginsel schrijft o.a. voor dat alle belastingplichtigen die zich in dezelfde toestand bevinden op dezelfde wijze moeten worden behandeld. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet - discriminatie sluiten evenwel niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.

Deze theorie omzetten in de praktijk lijkt evenwel bijzonder moeilijk. Zelfs een overname van principes uit de Gewestelijke regelgeving lijken geen zekerheid op succes te bieden.

Arrest van het Hof van Beroep Gent dd. 26 juni 2018

Het Hof van Beroep Gent heeft zich in dit arrest gebogen over een zaak met betrekking tot de leegstandsheffing, en meer specifiek omtrent de uitzondering op de vrijstelling van leegstandsbelasting ten behoeve van belastingplichtigen die nog geen jaar houder zijn van het zakelijk recht op het leegstaand pand, die gesteund is op een bepaalde bloed- of aanverwantschap.

Deze uitzondering gaat uit van de veronderstelling dat de partijen onderlinge banden hebben en dat dit feit hen toelaat onderling afspraken te maken op een manier die niet evengoed mogelijk is tussen onafhankelijke derden.

Het Hof is evenwel van oordeel dat deze uitzondering niet redelijk verantwoord is om misbruik van de vrijstellingsregeling tegen te gaan.

Het Hof merkt op dat ook bij een verkoop aan bloed- en aanverwanten, evengoed als bij een verkoop aan een onafhankelijke derde het geval is, de registratierechten en notariskosten verschuldigd zijn. Gelet op de relatief grote omvang van die kosten, valt volgens het Hof niet in te zien dat een dergelijke verkoop een vorm van collusie is die, mogelijk gemaakt door de onderlinge band van bloed- of aanverwantschap, tot doel zou hebben om aan de belasting te ontsnappen. Zelfs al kan die onderlinge band een voordeel zijn, volstaat het volgens het Hof niet om het verschil in behandeling te verantwoorden.

Om de voorgaande reden heeft het Hof een schending van het gelijkheidsbeginsel vastgesteld en de bestreden aanslag vernietigd.

Besluit

Ondanks het feit dat deze uitzondering ook voorzien was in de Gewestelijke leegstandsheffing, de meeste besturen deze uitzondering hebben overgenomen in hun eigen leegstandsreglement en deze uitzondering nooit eerder ter discussie werd gesteld, lijkt het toch aangewezen om deze uitzondering thans te schrappen.

De meeste besturen zijn thans volop bezig met een screening van hun belastingreglementen, wat het ideale ogenblik vormt om een dergelijke aanpassing door te voeren.

GD&A Advocaten is graag bereid om uw bestuur bij te staan bij een screening van uw belastingreglementen.

Voor meer informatie en/of inlichtingen, aarzel niet om één van onderstaande advocaten (geheel vrijblijvend) te contacteren.

Auteur: Nathalie Wouters

Meer info?

Contacteer Steven Michiels
Advocaat-vennoot
t 015/40 49 40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be

Contacteer Nathalie Wouters
Advocaat-departementshoofd
t 015/40 49 40 of nathalie.wouters@gdena-advocaten.be