Nieuwsflash: De Wet op de Buurtwegen gaat welverdiend op rust - Het Decreet houdende de Gemeentewegen een waardige vervanger?

Nieuwsflash: De Wet op de Buurtwegen gaat welverdiend op rust - Het Decreet houdende de Gemeentewegen een waardige vervanger?

29 april 2019

Bij plenaire vergadering van 24 april 2019 werd het Decreet houdende de Gemeentewegen aangenomen. Met dit langverwachte Decreet wordt komaf gemaakt met het traditionele onderscheid tussen de 'gewone' gemeentewegen enerzijds en de buurtwegen anderzijds. Zo wordt er voorzien in een uniform statuut voor alle gemeentewegen, onderworpen aan eenzelfde procedure inzake de aanleg, wijziging en opheffing, die tevens wordt afgestemd op de ruimtelijke plannings- en vergunningsprocedures.  Verder voorziet het decreet in een aantal opmerkelijke wijzigingen en nieuwigheden, met name wat betreft het beleidskader, het beheer en de handhaving van de gemeentewegen en last but not least het invoeren van de principiële onverjaarbaarheid van de gemeentewegen.

Maar liefst 178 jaar na de invoering van de Wet op de Buurtwegen achtte de decreetgever het tijd om deze haar welverdiend pensioen te gunnen, en het nieuwe Decreet houdende de Gemeentewegen haar intrede te laten nemen. Navolgend wordt een summier overzicht geboden van de belangrijkste wijzigingen en nieuwigheden die het Decreet teweeg brengt.

Voorafgaand: naar een uniform statuut voor alle gemeentewegen

Alvorens in te gaan op de concrete wijzigingen die het Decreet met zich meebrengt dient benadrukt dat de bepalingen van het Decreet van toepassing zijn op alle gemeentewegen. Het traditionele onderscheid tussen de 'gewone' buurtwegen en de buurtwegen wordt hiermee verlaten.

Een gemeenteweg wordt thans omschreven als: “Een openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond”.

Bijgevolg zullen alle gemeentewegen - ook deze die voorheen opgenomen waren in de atlas der buurtwegen - onder het toepassingsgebied van het nieuwe Decreet ressorteren.

Visievorming en actieplannen

Een eerste nieuwigheid betreft de in de artikelen 6 en 7 van het Decreet opgenomen mogelijkheid voor de gemeenten om over te gaan tot de opmaak van beleid en actieplannen met betrekking tot de gemeentewegen. Middels deze plannen kunnen de gemeenten de doelstellingen van het Decreet nader concretiseren en afstemmen op het gemeentelijk beleid. Het beleidskader bevat de visie en de operationele beleidskeuzes met betrekking tot de structuur van het gemeentelijk wegennetwerk.

De doelstellingen van het Decreet liggen verankerd in artikel 4, met name:

1° een wijziging, verplaatsing of afschaffing van een gemeenteweg is een uitzonderingsmaatregel die afdoende wordt gemotiveerd;

2° de verkeersveiligheid en de ontsluiting van aangrenzende percelen worden steeds in acht genomen;

3° wijzigingen aan het wegennet worden zo nodig beoordeeld in een gemeentegrensoverschrijdend perspectief;

4° bij de afweging voor wijzigingen aan het wegennet wordt rekening gehouden met de actuele functie van de gemeenteweg, zonder daarbij de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang te brengen. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen.

Deze doelstellingen dienen bovendien steeds in rekening gebracht te worden bij elke beslissing aangaande de aanleg, wijziging of opheffing van een gemeenteweg.

Procedurele aspecten

Een volgende aanpassing betreft de uniformering van de te volgen procedure inzake aanleg, wijziging of opheffing van een buurtweg. Waar voorheen bij toepassing van de Wet op de buurtwegen de uiteindelijke beslissingsmacht toekwam aan de deputatie, in tegenstelling tot bij toepassing van het rooilijndecreet voor de 'gewone' gemeentewegen, dient thans voor elke beslissing inzake de gemeentewetten een beslissing van de gemeenteraad bekomen te worden.

De gemeenten bepalen de ligging en de breedte van een gemeenteweg door middel van de opmaak van een gemeentelijk rooilijnplan, dat tot stand komt overeenkomstig de bepalingen van het Decreet. Het Rooilijndecreet van 8 mei 2009 zal derhalve geen uitwerking meer hebben op de gemeentewegen.

Teneinde een betere afstemming te bekomen bij samenloop met ruimtelijke plannings- of vergunningsprocedures wordt voorzien dat de opmaak/vaststelling van een gemeentelijk rooilijnplan geïntegreerd kan worden in de opmaakprocedure van een RUP, een projectbesluit complexe projecten, of een vergunningsaanvraag. Belangrijk hierbij blijft evenwel de beslissingsbevoegdheid van de gemeenteraad, zodat bij samenloop met een Gewestelijk of Provinciaal RUP steeds een voorafgaande beslissing van de gemeenteraad aangaande de gemeentewegen vereist zal zijn.

Beroepsmogelijkheid bij de Vlaamse Regering

Tegen de beslissingen tot definitieve vaststelling van een gemeentelijk rooilijnplan, of met betrekking tot de opheffing van een gemeenteweg staat een georganiseerd administratief beroep open bij de Vlaamse Regering. Het beroep heeft schorsende werking.

Het beroep kan enkel worden ingesteld door de in artikel 24 § 2 opgesomde personen, waarbij tevens wordt gesteld dat belanghebbenden enkel beroep kunnen instellen voor zover zij tijdens het openbaar onderzoek standpunt hebben ingenomen, of een bezwaar hebben ingediend. Gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof dd. 14 maart 2019 met nr. 46/2019, inzake een gelijkaardige vereiste alvorens de Raad voor Vergunningsbetwistingen ontvankelijk te kunnen vatten, lijkt  deze toevoeging enigszins problematisch. Verwacht wordt dan ook dat hieromtrent nog rechtspraak zal volgen.

De Vlaamse Regering beslist over het beroep binnen een ordetermijn van negentig dagen, volgend op de ontvangst van het dossier.

Langdurig publiek gebruik of niet-gebruik

Grondstroken waarvan met enig middel van recht kan worden bewezen dat ze in de afgelopen dertig jaar aan publiek gebruik onderhevig zijn geweest kunnen in aanmerking komen als gemeenteweg.

In voorkomend geval gaat de gemeenteraad, op eigen initiatief of op grond van een verzoekschrift, over tot het belasten van het college van burgemeester en schepenen met de opmaak van een gemeentelijk rooilijnplan. De vaststelling van het dertigjarig publiek gebruik door de gemeenteraad heeft de vestiging van een publiek recht van doorgang tot gevolg.

Wanneer de gemeente reeds dertig jaar daden van bezit heeft gesteld op een bepaalde grondstrook, waaruit de intentie om deze in eigendom te nemen blijkt, zal zij deze kunnen opnemen in het openbaar domein, zonder hierbij enige financiële compensatie verschuldigd te zijn. In wezen betreft het hier een toepassing van de verkrijgende verjaring, na dertig jaar overeenkomstig het burgerlijk wetboek.

Bijgevolg dient bij toepassing van dit artikel rekening gehouden te worden met de toepassingsvoorwaarden van de verkrijgende verjaring zoals deze bij toepassing van het burgerlijk wetboek zich stellen.

Waar in geval van langdurig publiek gebruik toepassing gemaakt kan worden van de figuur van verkrijgende verjaring wordt deze thans expliciet uitgesloten in geval van langdurig niet-gebruik. In tegenstelling tot de wet op de buurtwegen kunnen gemeentewegen dan ook niet meer verjaren door dertig jaar ongebruik, zij kunnen enkel worden opgeheven bij toepassing van het Decreet.

Evenwel voorziet het Decreet in de mogelijkheid om een verzoekschrift te richten aan de gemeenteraad, teneinde de betrokken buurtweg te zien opheffen, ingevolge langdurig (minstens dertig jaar) niet-gebruik door het publiek. De gemeenteraad die tot de opheffing wenst te beslissen dient alsnog te toetsen aan de in artikel 4 verankerde doelstellingen van het Decreet, en in voorkomend geval het beleidskader en de actieplannen.

Beheer

Als uitgangspunt stelt het Decreet dat de gemeente verantwoordelijk is voor het beheer van de gemeentewegen, evenwel wordt in de mogelijkheid voorzien dit beheer contractueel toe te vertrouwen aan een derde, en dit middels een beheersovereenkomst.

Zulke beheersovereenkomst doet geen afbreuk aan de verplichtingen van de gemeente, zodat ook wegen waarbij het beheer werd toevertrouwd aan een derde onder het toepassingsgebied van het decreet blijven ressorteren en bovendien de gemeente gehouden blijft voor betreft haar wettelijke beheers en veiligheidsverantwoordelijkheid.

De gemeenten zijn tevens verantwoordelijk voor de opmaak en het bewaren van het gemeentelijk wegenregister. Dit register bevat minstens de administratieve en gerechtelijke beslissingen met betrekking tot de huidige en toekomstige rooilijnen en rooilijnplannen  evenals de administratieve en gerechtelijke beslissingen over de aanleg, wijziging of opheffing van de gemeentewegen.

Alle gemeentelijke wegen en buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen die bestaan op 1 september 2019, worden voor de toepassing van het decreet geacht een gemeenteweg te zijn.

De algemene rooiplannen, de rooilijnplannen en de plannen voor de begrenzing van de buurtwegen in de zin van de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen worden opgenomen in het gemeentelijk wegenregister.

De atlas der buurtwegen zal bijgevolg ingevolge de inwerkingtreding van het Decreet worden herleid tot een louter historisch gegeven.

Handhaving

Met betrekking tot de handhaving bevat het Decreet vooreerst een aantal verbodsbepalingen, zo is het ieder verboden:

1° een gemeenteweg te wijzigen, te verplaatsen of op te heffen zonder voorafgaand akkoord van de gemeenteraad;

2° een gemeenteweg volledig of gedeeltelijk in te nemen op een wijze die het gewone gebruiksrecht overstijgt;

3° de toegang tot een gemeenteweg of het gebruik en beheer ervan te belemmeren, te hinderen of onmogelijk te maken;

4° op of in gemeentewegen werkzaamheden uit te voeren of gemeentewegen op welke wijze ook te beschadigen zonder voorafgaande toestemming van het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde.

Onverminderd de navolgend besproken bestuurlijke maatregelen kunnen inbreuken op bovenstaande verbodsbepalingen gesanctioneerd worden overeenkomstig de Wet op de gemeentelijke administratieve sancties (GAS).

Voornoemde bestuurlijke maatregelen zijn: (i) de last tot herstel (ii) de bestuursdwang (iii) de (bestuurlijke) dwangsom.  Het uitgangsprincipe hierbij is dat het college van burgemeester en schepenen de overtreder vooreerst de last tot herstel oplegt d.w.z. een beslissing neemt die minstens  de te nemen herstelmaatregelen omvat en de tijdspanne binnen welke deze gerealiseerd dienen te worden.

Deze last kan gekoppeld worden aan de maatregelen van bestuursdwang, dan wel de bestuurlijke dwangsom in geval de overtreder niet binnen de opgenomen termijn overgaat tot het nemen van de opgelegde herstelmaatregelen. In spoedeisende gevallen kan gebruik gemaakt worden van bestuursdwang, zonder dat een voorafgaande last tot herstel vereist is,  d.w.z. dat de herstelmaatregelen feitelijk worden uitgevoerd door (of in opdracht van) de gemeente, welke vervolgens de kosten verhaalt op de overtreder.

Besluit

Zoals bovenstaand nader toegelicht is gebleken dat het nieuwe Decreet houdende de gemeentewegen heel wat veranderingen teweeg brengt met betrekking tot het gemeentelijk wegenrecht, het nieuwe Decreet houdende de gemeentewegen kan dan ook moeilijk bescheidenheid of terughoudendheid worden verweten.

Niettegenstaande sommige - met name procedurele aspecten - vermoedelijk nog de nodige vragen zullen doen rijzen kan ons inziens het Decreet als een aanzienlijke positieve evolutie worden aangemerkt. Niet enkel wordt er voorzien in bijkomende waarborgen en een eenduidige procedure voor de rechtsonderhorige, ook de nu geïncorporeerde uitbreidingen van het handhavingsarsenaal zijn in het verleden reeds meer dan noodzakelijk gebleken.

Verwacht wordt dat het decreet reeds op 1 september 2019 in werking zal treden.

GD&A Advocaten beschikt over ruime ervaring met betrekking tot alle aspecten van het wegenrecht, en biedt bovendien hieromtrent ook specifieke opleidingen op maat aan. Aarzel niet ons dienaangaande te contacteren. Experientia optima rerum magistra. 

Auteur: Jan Van Eynde

Meer info?

Contacteer Jan Van Eynde
Advocaat
t 015/40 49 40 of Jan.Vaneynde@gdena-advocaten.be

Contacteer Jonas De Wit
Advocaat-Departementshoofd
t 015/40 49 40 of Jonas.Dewit@gdena-advocaten.be