Autonome gemeentebedrijven ten onrechte aan vennootschapsbelasting onderworpen?

Het Grondwettelijk Hof heeft op 6 december 2012 een opmerkelijk arrest geveld aangaande het fiscale statuut van autonome gemeentebedrijven inzake directe belastingen.

 

Het autonoom gemeentebedrijf “Elektriciteitsnet Izegem” (ETIZ) werd aan de vennootschapsbelasting onderworpen, maar meende dat het bedrijf werd benadeeld ten aanzien van intergemeentelijke samenwerkingsverbanden actief in dezelfde sector, die allen aan de rechtspersonenbelasting worden onderworpen.

Artikel 180, 1° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) bepaalt immers dat onder meer intercommunales beheerst door de wet van 22 december 1986 betreffende de intercommunales en samenwerkingsverbanden, met uitzondering van interlokale verenigingen, beheerst door het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

Het Grondwettelijk Hof volgt het standpunt van het autonoom gemeentebedrijf en besluit dat artikel 180, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in samenhang gelezen met artikel 220, 2°, van hetzelfde Wetboek, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet (het gelijkheidsbeginsel) schendt in zoverre het de autonome gemeentebedrijven, die een identieke taak uitoefenen als een intercommunale of een intergemeentelijk samenwerkingsverband en die niet in concurrentie treden met ondernemingen in de privésector, niet eveneens als de intercommunales en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden vrijstelt van de vennootschapsbelasting.

Uit het voorgaande moet worden begrepen dat autonome gemeentebedrijven aan de vennootschapsbelasting kunnen ontsnappen indien ze twee elementen kunnen aantonen: 1) het AGB moet een identieke taak uitoefenen als een intercommunale of intergemeentelijk samenwerkingsverband en 2) het AGB mag niet in concurrentie treden met de privésector.

De eerste voorwaarde lijkt voor vele autonome gemeentebedrijven te zijn voldaan. Er zijn inderdaad intergemeentelijke samenwerkingsverbanden die sportinfrastructuur exploiteren, onroerend goed ontwikkelen,...

De tweede voorwaarde lijkt daarentegen veel moeilijker te vervullen. Diverse autonome gemeentebedrijven treden wellicht wel in concurrentie met ondernemingen in de privésector. Er zijn immers ook commerciële exploitanten van sportinfrastructuur, vastgoedontwikkelaars,... Anderzijds lijkt het Hof uit het oog te verliezen dat ook intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ook vaak activiteiten ontplooien die ook door de privésector worden uitgeoefend (opmaak van ruimtelijke uitvoeringsplannen, architectuuropdrachten, juridisch advies, informaticadiensten,...).

Het gebrek aan concurrentie wordt in het overwegende gedeelte van het arrest enkel als bijkomend, maar niet essentieel element aangehaald, terwijl het in het beschikkende gedeelte wel als voorwaarde lijkt te worden toegevoegd. Het grote vraagteken blijft dus in welke mate het al dan niet aanwezig zijn van mogelijke concurrentie een bepalende factor is.

Indien concurrentie geen bepalende factor is, zullen vele autonome gemeentebedrijven zich wellicht op dit arrest kunnen baseren om niet aan de vennootschapsbelasting te moeten worden onderworpen. Indien concurrentie daarentegen wel een bepalende factor is, kan het risico niet worden uitgesloten dat de absolute vrijstelling van vennootschapsbelasting, die intergemeentelijke samenwerkingsverbanden met concurrerende activiteiten vandaag genieten, in de toekomst in vraag wordt gesteld.

Autonome gemeentebedrijven die menen te kunnen aanspraak maken op de toepassing van dit arrest, doen er goed aan om tijdig een bezwaarschrift in te dienen tegen aanslagen in de vennootschapsbelasting die ze ontvangen.

 

 Meer info?                  

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be

Terug naar nieuwsoverzicht

Share
nieuws