Duidelijkheid omtrent eerste inwerkingstreding gewestplannen

Duidelijkheid omtrent eerste inwerkingstreding gewestplan

De eerste inwerkingtreding van het gewestplan in het kader van het weerlegbaar vermoeden van vergunning is vijftien dagen na de bekendmaking ervan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad. Dit bevestigt de Raad van State als cassatierechter.

De Raad van State heeft in zijn arrest van 2 oktober 2013 de uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 16 januari 2013 bevestigd. Hiermee wordt een einde gemaakt aan een jarenlange discussie omtrent de notie 'de eerste inwerkingtreding van het gewestplan', zoals heden voorzien in art. 4.2.14 VCRO..

Een vermoeden van vergunning

 Artikel 4.2.14. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, hierna 'VCRO' regelt het vermoeden van vergunning. Er geldt een onweerlegbaar vermoeden van vergunning voor constructies waarvan kan worden bewezen dat ze gebouwd werden vóór de inwerkingtreding van de Stedenbouwwet op 22 april 1962.

Voor constructies, waarvan kan worden bewezen dat ze gebouwd werden in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, geldt een weerlegbaar vermoeden van vergunning.
Een weerlegbaar vermoeden betekent dat de constructies worden geacht vergund te zijn, tenzij het vergund karakter wordt tegengesproken door een proces-verbaal of een niet-anoniem bezwaarschift, telkens opgesteld binnen een periode van vijf jaar na het oprichten van de constructie.

De eerste inwerkingtreding van het gewestplan? Een jarenlange discussie.

De datum van de inwerkingtreding van het gewestplan is daarbij van doorslaggevend belang. Wat onder de 'eerste inwerkingtreding van het gewestplan' diende te worden verstaan, bleek evenwel lange tijd een punt van discussie.

Luidens artikel 10 van de Stedenbouwwet diende een gewestplan te worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en ter inzage worden gelegd in alle gemeentehuizen van het beheersingsgebied (de zogenaamde dubbele bekendmakingsvereiste). Artikel 13 van de Stedenbouwwet bepaalt de wijze waarop dit diende te gebeuren.

In de praktijk werden hieromtrent evenwel heel wat onregelmatigheden vastgesteld. De Raad van State stelde in de jaren '80 vast dat veel gewestplannen niet correct waren bekendgemaakt. Bovendien was het voor de besturen quasi onmogelijk om na enige tijd nog aan te tonen dat de gewestplannen daadwerkelijk overeenkomstig de wettelijke voorschriften ter inzage waren gelegd.

Om aan de rechtszekerheid tegemoet te komen werd door de decreetgever op 22 december 1993 gesteld dat slechts de normatieve gedeelten van het gewestplan verplicht ter inzage moesten worden gelegd in het gemeentehuis. Het uitvoeringsbesluit van 23 februari 1994 bepaalde welke delen als normatief diende te worden beschouwd. Dit besluit voerde mildere bekendmakingsvereisten in. 

Evenwel waren bepaalde auteurs, gesterkt door het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 21 december 2009, de mening toegedaan dat het weerlegbaar vermoeden van vergunning kon worden ingeroepen voor constructies, opgetrokken tot 24 maart 1994 - zijnde de datum van inwerkingtreding van het voornoemde uitvoeringsbesluit van 23 februari 1994 - dewelke de mildere bekendmakingsvereisten had ingevoerd.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen mocht bovenvermelde problematiek op 16 januari 2013 onder de loep nemen. De Raad bevestigde daarbij dat de “eerste inwerkingtreding van het gewestplan” plaatsvond vijftien dagen na diens bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 10 van de Stedenbouwwet.
De dag waarop het gewestplan daadwerkelijke tegenstelbaar werd voor de rechtsonderhorigen, kon niet worden gelijkgesteld met de dag van de eerste inwerkingtreding. (Voor een bespreking van de uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, zie onze nieuwsbrief van februari 2013)

Tegen dit arrest werd cassatieberoep bij de Raad van State ingesteld.

Uitspraak Raad van State van 2 oktober 2013

Ingevolge het cassatieberoep tegen het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 16 januari 2013, kreeg de Raad van State opnieuw de mogelijkheid om zich uit te spreken over deze problematiek, voor het eerst sinds de decreetswijzigingen van 1 september 2009.

In zijn arrest van 2 oktober 2013 (nr. 224.942) bevestigde de Raad dat de aanwending van de tijdsbepaling 'eerste inwerkingtreding van het gewestplan' in artikel 4.2.14., §2 VCRO niet verwijst naar een welbepaalde datum in de loop van 1994, maar naar de inwerkingtreding van het gewestplan als gevolg van de bij artikel 10 juncto 13 van de Stedenbouwwet bepaalde bekendmaking ervan.

De Raad bevestigt daarbij dat de eerste inwerkingtreding van het gewestplan zich situeert vijftien dagen na diens bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad.
Er dient met andere woorden niet aan de dubbele vereiste van bekendmaking te worden voldaan. De dag dat het gewestplan tegenstelbaar werd gemaakt aan de rechtsonderhorigen is bijgevolg niet relevant.

De Raad van State verwerpt het cassatieberoep en bevestigt hiermee de uitspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 16 januari 2013.
Met deze uitspraak maakt de Raad van State een einde aan een jarenlange discussie.

Synopsis

De datum van de eerste inwerkingtreding van het gewestplan in het kader van het weerlegbaar vermoeden van vergunning in de zin van artikel 4.2.14., §2 VCRO situeert zich vijftien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. De datum waarop dit gewestplan aan de rechtsonderhorige tegenstelbaar werd, is hierbij niet relevant.

Mr. Alisa KONEVINA en Mr. Nathalie MORTELMANS

Terug naar nieuwsoverzicht