Belastingplichtigen krijgen iets meer tijd: wetgever volgt 'ontvangsttheorie'

Belastingplichtigen krijgen iets meer tijd: wetgever volgt 'ontvangsttheorie'

De Wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen (B.S. 28 mei 2010) past het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 aan de zogenaamde “ontvangsttheorie” aan.

Sinds de arresten van het Grondwettelijk Hof van 7 juni 2007 inzake gewestelijke leegstandsheffingen (arrest 85/2007) en van 19 december 2007 inzake inkomstenbelastingen (arrest 162/2007) wordt de berekening van diverse termijnen waarover een belastingplichtige beschikt, in vraag gesteld.

Het Hof oordeelde dat het redelijk verantwoord is dat de wetgever, om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelswijze van de partijen. De keuze van de datum van verzending van het aanslagbiljet als aanvangspunt van de beroepstermijn beperkt evenwel het recht van verdediging van de geadresseerden op onevenredige wijze doordat die termijnen beginnen te lopen op een ogenblik dat zij nog geen kennis hebben van de inhoud van het aanslagbiljet.

Het Hof voegt er aan toe dat de doelstelling om rechtsonzekerheid te vermijden evengoed zou kunnen worden bereikt indien de termijn zou ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst (art. 53bis Ger.W.).

In navolging van deze rechtspraak werd de fiscale wetgeving stelselmatig aangepast.

Zo voorzag de Vlaamse decreetgever reeds in een bezwaartermijn inzake gemeente- en provinciebelastingen van “drie maanden te rekenen vanaf de derde kalenderdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet of vanaf de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de contante inning” (Decreet van 30 mei 2008 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillenprocedure van provincie- en gemeentebelastingen). 

Op 2 juni 2010 trok het Grondwettelijk Hof deze lijn door op het vlak van de antwoordtermijn in navolging van een bericht van wijziging (arrest 66/2010). Het Hof oordeelde dat artikel 346, derde lid WIB 92 het gelijkheidsbeginsel schendt doordat de termijn van één maand waarover de belastingplichtige beschikt om te antwoorden op een bericht van wijziging loopt vanaf het ogenblik van de verzending van dat bericht.

De wetgever had evenwel reeds geanticipeerd op deze uitkomst door alvast in de Wet van 19 mei 2010 houdende fiscale en diverse bepalingen de nodige wijzigingen op te nemen (artikel 6 tot 10). Voortaan geldt dus een antwoordtermijn van één maand, niet na verzending van het bericht van wijziging, maar wel “te rekenen van de derde werkdag volgend op de verzending van dat bericht”.

De wetgever heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om in één beweging ook de berekeningswijze aan te passen inzake antwoord op vragen om inlichtingen (art. 316 WIB 92), kennisgeving van aanslagen van ambtswege (art. 351 WIB 92), bezwaartermijn (art. 371 WIB 92) en bezwaartermijn bij correlatieve overbelasting (art. 373 WIB 92).

De wetgever slaat en zalft tegelijk, vermits in dezelfde wet ook de onderzoeksbevoegdheden van de fiscale ambtenaren inzake directe belastingen worden uitgebreid.

Artikel 319 WIB 92 werd in die zin gewijzigd dat de ambtenaren die de beroepslokalen bezoeken in staat gesteld moeten worden "om alle boeken en bescheiden [...] te onderzoeken" die zich in de bezochte lokalen bevinden. De formulering wordt afgestemd op deze die inzake btw van toepassing is (art. 63 btw-wetboek).

Lees hierover onze nieuwsbrief 

Terug naar nieuwsoverzicht