Inkomsten GSM-masten niet langer belastbaar

Inkomsten gsm-masten niet langer belastbaar gezien de vernietiging van de kwalificatie als 'divers inkomen' 

Vanaf begin 2012 heeft de wetgever de inkomsten verkregen (buiten een beroepswerkzaamheid) uit de 'concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is te gebruiken om er zend -en ontvangstapparaten te installeren door de operatoren van de mobiele telefonie' ondergebracht onder de categorie van de 'diverse inkomsten van roerende aard'.

Deze wettelijke kwalificatie werd nu vernietigd door het arrest van 19 juni 2014 van het Grondwettelijk Hof, evenwel zonder terugwerkende kracht. Dit betekent dat de kwalificatie als divers inkomen voor de inkomsten voor de jaren 2012 en 2013 blijft behouden. (Grondwettelijk Hof 19 juni  2014, nr. 93/2014). Aldus zijn vanaf 2014 de inkomsten die gemeenten, OCMW's, kerkbesturen en andere halen uit het ter beschikking stellen van een stuk grond of gebouw om er een gsm-mast op te plaatsen niet langer belastbaar.

Onduidelijkheid onroerend inkomen of divers inkomen van roerende aard

Er bestaat al langer onduidelijkheid over de belasting van inkomsten van onroerende goederen die deels ter beschikking worden gesteld van gsm-operatoren om er masten of antennes op te plaatsen.

De belastingdiensten beschouwden dat soms als een onroerend inkomen (dat onbelast bleef omdat het ter beschikking gestelde gedeelte geen eigen kadastraal inkomen had) of als een divers inkomen van roerende aard.

De minister van Financiën werd enkele jaren geleden ondervraagd over de fiscale kwalificatie van de vergoedingen die GSM-operatoren aan 'particulieren' toekennen in ruil voor de verhuur van een stuk grond, een dak, een gevel, e.d., met het oog op de installatie van antennes, kabels, enz.

Hierop werd destijds door de minister geantwoord dat de betrokken overeenkomsten “geval per geval”  moeten worden geanalyseerd om “de aard van de rechten te bepalen die worden verleend”.

Een huurovereenkomst kan aldus in werkelijkheid bijvoorbeeld de vestiging van een recht van opstal, van erfpacht of van gelijkaardige onroerende rechten uitmaken, maar in de toenmalige stand van de wetgeving moesten de inkomsten uit voormelde overeenkomsten in de meeste gevallen als onroerende inkomsten overeenkomstig artikel 7 WIB 92 worden beschouwd.

De minister liet echter tegelijkertijd weten het eens te zijn met de administratie dat het beter zou zijn om deze vergoedingen onder hetzelfde belastingstelsel te brengen als de inkomsten uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen (cfr. diverse inkomsten van roerende aard conform artikel 90, 5° WIB 92). De minister gaf daarom de administratie de opdracht om de nodige voorbereidingen te treffen met het oog op de aanpassing van de wet.

Wet van 13 december 2012: divers inkomsten van roerende aard

Uiteindelijk heeft een wetgevende tussenkomst de knoop helpen doorhakken omtrent de kwalificatie van dergelijke inkomsten. De Wet van 13 december 2012 houdende fiscale en financiële bepalingen (B.S. 20 december 2012) heeft een aanpassing aangebracht waardoor de inkomsten verkregen, buiten het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid, uit de concessie van het recht om een plaats die van nature onroerend is te gebruiken om er zend-en ontvangstapparaten te installeren door de operatoren van de mobiele telefonie werden ondergebracht onder de diverse inkomsten van roerende aard in de zin van artikel 90, 5° WIB 92. De wijziging geldt sinds 1 januari 2012.

Sindsdien zijn voormelde inkomsten uit de concessie om GSM-masten te plaatsen, in hoofde van belastingplichtigen die aan de personenbelasting onderworpen zijn afzonderlijk belastbaar (tenzij globalisatie voordeliger is). Het afzonderlijk tarief bedroeg eerst 15 %. Sinds begin 2013 is dat 25 %.

Op overeenkomstige wijze is de roerende voorheffing op dit type van diverse inkomsten van roerende aard gelijk aan (eerst) 15 % en (nadien) 25 %. Ook op entiteiten die aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen (art. 221 WIB 92) (VZW's, openbare instellingen, enz.) is de nieuwe fiscale kwalificatie inzake de inkomsten uit de concessie om GSM-zendmasten te plaatsen van toepassing. Derhalve zijn deze entiteiten roerende voorheffing verschuldigd (er geldt geen verzaking aan de RV voor deze entiteiten). De voorheffing moet door de entiteit als verkrijger van de inkomsten in principe zelf worden voldaan (art. 262, 3° WIB 92).


Verzoek tot vernietiging van het Vlaams Gewest bij het Grondwettelijk Hof

Het Vlaams Gewest was het niet eens met deze nieuwe regeling en trok hiertegen naar het Grondwettelijk Hof. Het Vlaams Gewest was het niet eens met het feit dat voormelde inkomsten uit de concessie om GSM-zendmasten te plaatsen niet langer kwalificeren als onroerende inkomsten. Het Vlaams Gewest was zelf benadeeld als (nieuwe) belastingplichtige, maar wees vooral op het feit dat de gewesten bevoegd zijn voor de onroerende voorheffing en dat hieraan enkel iets kan worden veranderd met een bijzondere wet, hetgeen evenwel niet is gebeurd. Hierdoor werd de Bijzondere Financieringswet van 16 januari 1989 door het Vlaams Gewest geschonden.

Het Vlaams Gewest redeneerde als volgt. De Bijzondere Financieringswet rekent de 'onroerende voorheffing' tot de gewestelijke belastingen. De gewesten zijn bijgevolg bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen inzake de onroerende voorheffing te bepalen. Hoewel de onroerende voorheffing thans wordt geheven als een percentage van het kadastraal inkomen (art. 255 e.v. WIB 92) (en dus niet bv. op basis van de huurinkomsten), zouden de gewesten in de toekomst kunnen beslissen een andere grondslag te nemen en de onroerende voorheffing bv. te heffen als “een percentage van de werkelijke inkomsten van de onroerende goederen of een percentage van de venale waarde ervan”. Volgens het Vlaams Gewest heeft de federale wetgever deze mogelijkheid voor de gewesten beperkt door de inkomsten verkregen uit concessies voor zend-en ontvangstapparaten van operatoren van mobiele telefonie voor de inkomstenbelastingen aan te merken als diverse inkomsten. Dit kon de federale wetgever volgens het Vlaams Gewest niet doen via een gewone wet, maar enkel via een bijzondere wet (met de daaraan verbonden vereiste bijzondere meerderheid), hetgeen niet is gebeurd.


Grondwettelijk Hof 19 juni 2014

Het Vlaams Gewest heeft over de ganse lijn gelijk gekregen van het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof heeft zich in zijn arrest van 19 juni 2014 aangesloten bij deze redenering van het Vlaams Gewest.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde dat de federale wetgever door de inkomsten uit concessies voor de plaatsing van GSM-masten aan te merken als diverse inkomsten een maatregel heeft genomen waardoor bepaalde inkomsten niet langer als inkomsten uit onroerende goederen in de zin van artikel 7 WIB 92 worden beschouwd. Volgens het Grondwettelijk Hof heeft de federale wetgever weliswaar aldus niet geraakt aan het kadastraal inkomen als heffingsgrondslag voor de onroerende voorheffing, maar heeft hij wel een onderdeel van de belastbare materie zelf, zijnde de inkomsten uit in België gelegen onroerende goederen gewijzigd en onttrokken aan de belastbare materie van de onroerende voorheffing, die bij de Bijzondere Financieringswet aan de Gewesten is toegewezen. Een dergelijke wijziging kon volgens het Grondwettelijk Hof slechts door de federale wetgever worden doorgevoerd bij bijzondere wet, hetgeen evenwel niet is gebeurd. Bijgevolg heeft het Grondwettelijk Hof besloten om de wetswijziging te vernietigen.

Een vernietigingsarrest werkt in beginsel “ex tunc”. Dit wil zeggen dat het volledig terugwerkende kracht heeft, ter zake dus tot begin 2012, d.i. de datum van inwerkingtreding van de nieuwe fiscale kwalificatie. Evenwel besloot het Grondwettelijk Hof om de gevolgen van zijn arrest in de tijd te beperken. De bedoelde belastbare inkomsten zouden ten gevolge van een retroactieve vernietiging immers ook voor de voorbije periode niet meer mogen worden beschouwd als diverse inkomsten, maar in beginsel terug belastbaar zijn als onroerende inkomsten, hetgeen onder meer gevolgen zou hebben voor de ondertussen gestorte roerende voorheffing door entiteiten onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. Bijgevolg heeft het Grondwettelijk Hof besloten om de gevolgen van de vernietigde bepaling te handhaven voor de inkomsten van de jaren 2012 en 2013 om aldus rechtsonzekerheid te vermijden.

De nieuwe kwalificatie wordt m.a.w. vanaf de inkomsten van 2014 als divers inkomen wel ongedaan gemaakt en de betrokken inkomsten moeten in beginsel opnieuw als onroerend inkomen worden beschouwd.

Dit arrest van het Grondwettelijk Hof heeft tot gevolg dat de fiscale behandeling van sommige gemeentelijke ontvangsten andermaal in de actualiteit komt te staan.

Bovendien kan dit arrest door de lokale besturen worden aangewend in hun strijd tegen het te pas en te onpas kwalificeren van hun inkomsten als roerende of diverse inkomsten en de onderwerping aan de roerende voorheffing die daarvan het gevolg is.

Auteur: Bart Engelen en Steven Michiels

Meer info?

Contacteer Steven MICHIELS
Advocaat-vennoot
Tel 015/40.49.40 of steven.michiels@gdena-advocaten.be