Onteigeningen en planologische neutraliteit. Is de knoop doorgehakt?

Onteigeningen en planologische neutraliteit. Is de knoop doorgehakt?

De verhouding tussen de ruimtelijke ordening en onteigeningen heeft in het verleden reeds meermaals voor onenigheid gezorgd. Het heikel punt ligt met name bij de - al dan niet- toepasselijkheid van de principes van planologische neutraliteit bij de beoordeling van de onteigeningsvergoeding.

Een recent arrest vanwege het Hof van Cassatie lijkt echter deze discussie definitief te beslechten.

Vooreerst lijkt het aangewezen om de principes van de planologische neutraliteit even op te frissen.
Aan het begrip planologische neutraliteit wordt gestalte gegeven door artikel 2.4.6 § 1 VCRO (voorheen art. 72 § 1 DRO):

Bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voorzover de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan”.

Met andere woorden kan de planologische neutraliteit omschreven worden als het principe waardoor, ingeval een onteigening voortvloeit uit een ruimtelijk uitvoeringsplan, geen rekening mag worden gehouden met eventuele waardeveranderingen in positieve of negatieve zin die uit het plan zelf voortkomen. De waarde van het perceel blijft behouden voor de bepaling van de onteigeningsvergoeding.

Het is meteen duidelijk dat het van uitermate groot belang is na te gaan welke interpretatie kan gegeven worden aan artikel 2.4.6. § 1 VCRO.De onteigeningsvergoeding is immers in overgrote mate afhankelijk van de bestemming van de onteigende gronden.

In dat verband kon men tot op heden twee stellingen onderscheiden:

1. Een eerste strekking ging ervan uit dat de rechtsgrond waarop de onteigening wordt geënt doorslaggevend is bij de bepaling of de procedure al dan niet geschiedt met het oog op het realiseren van het RUP.

Deze interpretatie gaat ervan uit dat geen algemeen rechtsbeginsel bestaat dat de planologische neutraliteit van toepassing zou verklaren indien de onteigening (formeel) buiten de realisatie van een RUP valt.

Bij een onteigening met als rechtsgrond/habilitatie de wet economische expansie (ondertussen vervangen door het Decreet Ruimtelijke Economie van 13 juli 2012) moet volgens deze rechtsleer met het ruimtelijk bestemmingsplan rekening worden gehouden en speelt de planologische neutraliteit niet.   

Doorslaggevend voor dit argument is de motivatie van het Grondwettelijk Hof, waarbij expliciet werd gesteld dat de rechtsgrond doorslaggevend is voor het bepalen van de vergoeding.  De rechtsleer volgde tot hiertoe overwegend dit idee - dat in het voordeel van de onteigende speelt.

2. Een tweede strekking vertrekt dan weer van de positie dat in de feiten moet nagegaan worden of de onteigening is geschied naar aanleiding van de realisatie van een RUP. De rechtsgrond/habilitatie van de onteigening zou volgens deze interpretatie niet van doorslaggevend belang zijn.

In dat verband besliste de vrederechter van Waver dat een onteigening die formeel werd gebaseerd op de wet economische expansie, toch kon aanzien worden als een realisatie van een plan van aanleg.

Het Hof van Cassatie boog zich over deze discussie in haar recent arrest C.12.0053.N/1 van 7 november 2013. Het Hof verwoordde de -al dan niet - toepasselijkheid van de planologische neutraliteit als volgt:

Krachtens artikel 72, § 1, eerste lid, Decreet van het Vlaams Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, hierna DRO, wordt bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een ruimtelijk uitvoeringsplan, voor  zover de onteigening wordt gevorderd voor de verwezenlijking van dat ruimtelijk uitvoeringsplan.

Deze  bepaling  die  inhoudt  dat,  wanneer  de  onteigening  wordt  gevorderd voor de verwezenlijking van een ruimtelijk uitvoeringsplan, bij het bepalen van de waarde van het onteigende perceel geen rekening wordt gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van dat ruimtelijk uitvoeringsplan, vertolkt een algemeen beginsel dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening.
Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.


De redenering dat de planologische neutraliteit een algemeen beginsel uitmaakt dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening, lijkt weinig mogelijkheden tot interpretatie over te laten... Indien dit principe dient te worden gevolgd, lijkt de interpretatie volgens de eerste strekking (rechtsgrond waarop onteigening werd gebaseerd) niet langer houdbaar.

Er blijft evenwel een opening om het planologische neutraliteitsbeginsel buiten toepassing te laten. Het Hof vermeldt immers het volgende:

Het onderdeel gaat ervan uit dat de regel vervat inartikel 72 DRO verband houdt met de bijzondere waarborgen die door die wetworden verstrekt, terwijl uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat die bepaling een algemeen beginsel vertolkt dat van toepassing is ongeacht de rechtsgrond van de onteigening.
Het onderdeel gaat tevens ten onrechte ervan uit dat de doelstelling van de onteigening enkel kan worden afgeleid uit de motieven van het onteigeningsbesluit, terwijl de rechter hierover onaantastbaar in feite oordeelt.


Zodoende blijft het mogelijk te argumenteren dat de onteigening - voor zover deze formeel op een andere rechtsgrond/habilitatie gebaseerd is dan de uitvoering van een ruimtelijk uitvoeringsplan - niet tot doel heeft het ruimtelijke uitvoeringsplan te verwezenlijken. Het is uiteindelijk de rechter die in feite dient te oordelen of de onteigening de doelstelling van het RUP realiseert.

 Contact: Gitte.laenen@gdena-advocaten.be

 

 

Terug naar nieuwsoverzicht