Is de overheid verplicht om een prijsverantwoording te vragen?

Is de overheid verplicht om een prijsverantwoording te vragen? - RvS 26 maart 2013, nr. 222.986.

Volgende feiten deden zich voor: de gemeente Middelkerke schreef via openbare aanbesteding een overheidsopdracht voor aanneming van werken uit met het oog op de renovatie van de Fleriskotstraat. Er werden zes offertes ingediend - de laagste offerte was die van de nv Aannemingen Penninck. Verzoekster diende de tweede laagste offerte in. Op 12 juli 2011 besliste de gemeente om de opdracht te gunnen aan de nv Aannemingen Penninck. In het aanbestedingsverslag was vermeld dat na prijsonderzoek gebleken was dat de laagste inschrijver voldeed aan de regelmatigheidscriteria van artikel 110 van het KB van 8 januari 1996 en eveneens volledig in orde was qua selectiecriteria.

Tegen deze gunningsbeslissing werd door de nv Aclagro een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State ingediend. De nv Aclagro was immers van oordeel dat de aanbestedende overheid nagelaten heeft om een rechtvaardiging te vragen aan de nv Aannemingen Penninck betreffende hun (schijnbaar) abnormaal lage eenheidsprijzen. De gemeente beperkte zich ertoe een vergelijkende tabel op te stellen waaruit bleek dat het totaal aantal prima facie abnormaal lage eenheidsprijzen bij de nv Aannemingen Penninck lager was dan bij verzoekende partij. Op grond hiervan werd de opdracht gegund aan de nv Aannemingen Penninck. Door deze werkwijze werden volgens de verzoekende partij o.a. artikel 110 van het KB en het zorgvuldigheidsbeginsel door verwerende partij geschonden.

De Raad van State oordeelde echter dat de aanbestedende overheid niet onzorgvuldig te werk was gegaan in haar prijsonderzoek. Aangezien de gemeente de offerte van de nv Aannemingen Penninck niet wenste te weren wegens schijnbaar abnormaal lage eenheidsprijzen, was ze ook niet verplicht om overeenkomstig artikel 110 § 3 van het KB deze inschrijver om een verantwoording te vragen.

Wel stelt de Raad van State dat het de plicht is van de aanbestedende overheid om na te gaan of de offerte geen abnormale prijzen bevat. Dit prijsonderzoek dient uiteraard zorgvuldig te gebeuren. Volgens de Raad was de toegepaste methode met de vergelijkende tabel echter voldoende zorgvuldig. De conclusies uit deze tabel volstonden in hoofde van de gemeente om geen extra prijsverantwoording te vragen.

BESLUIT: Hoewel de aanbestedende overheid verplicht is om na te gaan of de offerte geen abnormale prijzen bevat, blijft het haar vrij te bepalen op welke wijze ze dit prijzenonderzoek doet. Zolang het prijsonderzoek op zorgvuldige wijze gebeurt en de aanbestedende overheid de offerte als regelmatig wenst te beoordelen, ondanks de blijkbaar abnormale prijzen, is ze niet verplicht om bijkomende verantwoording bij de inschrijver te vragen. Deze bijkomende verantwoording dient enkel gevraagd te worden indien de aanbestedende overheid een offerte wenst af te wijzen omwille van het abnormaal karakter van de prijzen.

Dit werd ook reeds bevestigd in de rechtspraak van het Hof van Justitie. (HvJ 27 november 2001, C-285/99 en C-286/99). Deze uitspraak huldigt dus de discretionaire bevoegdheid die de overheid principieel heeft in het kader van de regels inzake abnormale prijzen. Dit arrest ligt in de lijn van de vorige rechtspraak van de Raad. (Zie o.a. RvS 17 januari 2008, nr. 178.640)