Rechtsplegingsvergoeding Raad Van State

Rechtsplegingsvergoeding: nu ook bij Raad van State

Op 2 april 2014 is het Koninklijk Besluit van 28 maart 2014 betreffende de rechtsplegingsvergoeding in werking getreden (B.S. 2 april 2014). Dit Koninklijk Besluit betreft de uitvoering van het artikel 30/1, dat werd ingevoerd bij wet van 14 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State.

Het Koninklijk Besluit legt de basisbedragen en de minimum- en maximumgrenzen vast van de rechtsplegingsvergoeding, afhankelijk van de aard en belang van het geschil.

De rechtsplegingsvergoeding

De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat. Op deze wijze kan de in het gelijk gestelde partij een deel van diens kosten recupereren.

Voortaan kan de Raad van State, net zoals de gewone hoven en rechtbanken, een rechtsplegingsvergoeding toekennen aan de in het gelijk gestelde partij, in uitvoering van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De voorziene regeling is sterk gebaseerd op de burgerrechtelijke regeling vervat in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek.

De rechtsplegingsvergoeding is van toepassing op alle procedures die bij de Raad van State aanhangig kunnen worden gemaakt, met name zowel op de geschillen over schadevergoeding voor buitengewone schade, op geschillen in volle rechtsmacht, op geschillen inzake nietigverklaring als op geschillen van administratieve cassatie.

De Rechtsplegingsvergoeding kan aangevraagd worden met elk processtuk of vereffeningsnota ingediend met tussenkomst van de advocaat. Deze bedragen kunnen gewijzigd worden tot uiterlijk twee dagen vóór de zitting. Bij een procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid kan de rechtsplegingsvergoeding gevraagd worden tot aan de sluiting van de debatten.

Het bedrag

Het basisbedrag werd vastgesteld op 700,00 EUR. Het minimumbedrag bedraagt 140,00 EUR en het maximumbedrag is 1.400,00 EUR.

Deze bedragen zijn marges, waartussen de rechtsplegingsvergoeding kan variëren naar boven of naar onder, naargelang het oordeel van de Raad van State. De Raad van State dient hierbij rekening te houden met de criteria die in artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten werden vermeld, met name:

1- De financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij;
2- De complexiteit van de zaak;
3- De kennelijk onredelijke aard van de situatie.

Bovendien kan de Raad van State oordelen dat de kosten kunnen gecompenseerd of beperkt worden wegens een akkoord tussen partijen of - naargelang het stadium van het geschil - wegens een intrekking van de handeling door verwerende partij, waardoor er geen in het ongelijke gestelde partij is.

Overigens kan de Raad van State het bedrag met 20% verhogen, met name wanneer:

- Het beroep tot nietigverklaring gepaard gaat met een vordering tot schorsing of tot voorlopige maatregelen; of
- De vordering tot schorsing of voorlopige maatregelen volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingediend én gepaard gaat met een beroep tot nietigverklaring.

Die situaties veroorzaken meer werklast, wat de verhoging verantwoordt.

De bedragen van de verhogingen worden gecumuleerd. Maar er is een grens: de verhoogde vergoeding mag nooit meer dan 140% van het basis-, minimum- of maximumbedrag bedragen.

Er zijn uitzonderingen op die verhoging. Ze wordt niet toegepast als de Raad van State beslist dat het beroep tot nietigverklaring doelloos is of dat het slechts korte debatten vraagt. In dat geval wordt de vordering tot schorsing immers niet onderzocht. Ook als het schorsingsarrest niet gevolgd wordt door een verzoek tot voortzetting van de procedure, vindt er geen verhoging plaats.

De regelgever gaf geen limitatieve opsomming teneinde probleemsituaties die zouden ontstaan ten aanzien van situaties waarin het besluit niet voorziet, te vermijden.

Het besluit voorziet ook een verhoging of verlaging van de rechtsplegingsvergoeding met 10% indien de index zelf verhoogd of verlaagd wordt met hetzelfde aantal punten. De bedragen zullen van toepassing zijn op de eerste dag van de maand die volgt op de overschrijding met 10%.

Geschillen inzake overheidsopdrachten
Voor de geschillen inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten werd het maximumbedrag op 2.800, EUR vastgelegd. Onder die regeling vallen de opdrachten geregeld bij wet van 15 juni 2006 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten, en de wet van 13 augustus 2011 inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten op defensie- en veiligheidsgebied. De verhoging van het maximumbedrag is te verklaren doordat dergelijke geschillen vaak gekenmerkt worden door een grotere techniciteit. Ook de grootte van de in het geschil betrokken bedragen speelt een rol.
Het verschil in behandeling lijkt redelijk, aangezien het verschil enkel betrekking heeft op het maximumbedrag van de rechtsplegingsvergoeding.

Meer info?

Contacteer Mr. Gitte Laenen
Advocaat-vennoot
Tel. 015/40 49 40 of gitte.laenen@gdena-advocaten.be