HET WEERLEGBAAR VERMOEDEN VAN VERGUNNING EN DE EERSTE INWERKINGTREDING VAN HET GEWESTPLAN - UITSPRAAK VAN DE RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN dd. 16 JANUARI 2013

HET WEERLEGBAAR VERMOEDEN VAN VERGUNNING EN DE EERSTE INWERKINGTREDING VAN HET GEWESTPLAN - UITSPRAAK VAN DE RAAD VOOR VERGUNNINGSBETWISTINGEN dd. 16 JANUARI 2013

In een recent arrest van 16 januari 2013 maakt de Raad voor Vergunningsbetwistingen duidelijk dat “de eerste inwerkingtreding van het gewestplan” in de zin van artikel 4.2.14, §2 VCRO niet gelijk te stellen is aan de datum waarop het gewestplan tegenstelbaar wordt ingevolge een correcte bekendmaking.

Discussie in de rechtspraktijk 

Daar waar artikel 4.2.14, §1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening een onweerlegbaar vermoeden van vergunning inhoudt voor die constructies die dateren van voor de inwerkintreding van de stedenbouwwet op 22 april 1962, bevat de tweede paragraaf van dit artikel een weerlegbaar vermoeden van vergunning voor constructies die dateren uit de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, waarbinnen zij zijn gelegen.

De datum van inwerkingtreding van het gewestplan is aldus van doorslaggevend belang. Een constructie, waarvan door enig rechtens toegelaten bewijsmiddel kan worden aangetoond dat die gebouwd werd in de periode vanaf 22 april 1962 tot de eerste inwerkingtreding van het gewestplan, zal van het vermoeden van vergunning kunnen genieten. Dit vermoeden kan slechts worden weerlegd middels een proces-verbaal of een niet anoniem bezwaarschrift, telkens opgesteld binnen een termijn van vijf jaar na het optrekken of plaatsen van de constructie. Voor constructies die vóór 22 april 1962 werden opgetrokken, is het vermoeden van vergunning zelfs onweerlegbaar.

Evenwel bestaat er sinds geruime tijd discussie in de rechtspraak en rechtsleer aangaande deze eerste datum van inwerkingtreding van het gewestplan.

Volgens artikel 10 juncto artikel 13 van de Stedenbouwwet diende een gewestplan met name zowél bekendgemaakt te worden in het Belgisch Staatsblad als ter inzage worden gelegd in alle gemeentehuizen van het beheersingsgebied. De Raad van State stelde daarbij dat, opdat het gewestplan tegenstelbaar zou kunnen zijn, naast het bestemmingsplan met de bestemmingsvoorschriften ook de orthofotoplannen en de plannen van de juridische toestand ter inzage moesten worden gelegd.

Aangezien deze strenge inzageplicht niet altijd werd nageleefd, diende de Raad van State vanaf 1981 dan ook tot vervelens toe vast te stellen dat de gewestplannen niet correct waren bekendgemaakt. Bovendien bleek het voor besturen quasi onmogelijk om na verloop van tijd nog aan te tonen dat de gewestplannen in hun geheel werkelijk ter inzage waren gelegd. Dit had tot gevolg dat het vaak quasi-onmogelijk was om de effectieve datum van bekendmaking van het gewestplan te kunnen bewijzen.

Om de ontstane rechtsonzekerheid een halt toe te roepen werd door de decreetgever op 22 december 1993 gesteld dat slechts de normatieve gedeelten van het gewestplan verplicht ter inzage moesten worden gelegd in elk gemeentehuis. Met het uitvoeringsbesluit van 23 februari 1994 werd bepaald welke delen als normatief moeten worden beschouwd, waardoor aan deze problematiek een einde leek te zijn gemaakt.

Een deel van de rechtsleer besloot uit het voorgaande, en mede uit artikel 190 GW dat stelt dat een besluit van het gemeentelijk bestuur slechts verbindend is dan na te zijn bekendgemaakt in de vorm bij de wet bepaald, dat er pas van een inwerkingtreding sprake kan zijn nadat het gewestplan op de vereiste dubbele wijze werd bekendgemaakt.

Bepaalde auteurs, gesteund door een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 21 december 2009, waren dan ook van mening dat het weerlegbaar vermoeden van vergunning kon worden ingeroepen voor constructies, opgetrokken tot 24 maart 1994, zijnde de datum van inwerkingtreding van het besluit van 24 februari 1994, dewelke mildere bekendmakingsvereisten had ingevoerd.

Tegen het vonnis werd evenwel hoger beroep aangetekend, waardoor deze zaak nog niet definitief is beslecht.

Evenwel heeft ook de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich inmiddels mogen buigen over de problematiek.

 

De uitspraak van de RVV

In een arrest van de Raad van 16 januari 2013 werd er geoordeeld dat met de “eerste inwerkingtreding van het gewestplan”, zoals bedoeld in artikel 4.2.14, §2 VCRO, louter verwezen wordt naar de “inwerkingtreding” van het gewestplan, zoals opgenomen in artikel 10 van de Stedenbouwwet, zijnde “vijftien dagen na de bekendmaking ervan bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad”.

De Raad steunt haar uitspraak op de bewoordingen van de wet en de bedoelingen van de decreetgever en maakt een onderscheid tussen de “inwerkingtreding” en de “tegenstelbaarheid” van het gewestplan.

In artikel 4.2.14, §2 VCRO werd luidens de Raad duidelijk gekozen voor het begrip “inwerkingtreding”, en in de parlementaire voorbereiding bij dit artikel werd toegelicht dat het gewestplan inwerking treedt 15 dagen na de publicatie in het Belgisch Staatsblad, in de zin van artikel 10 van de Stedenbouwwet.

De datum waarop het gewestplan vervolgens tegenstelbaar is geworden is volgens de Raad dan ook niet van belang voor de invulling van artikel 4.2.14, §2 VCRO.

Daarenboven kan het volgens de Raad niet de bedoeling zijn geweest van de decreetgever om, bij de opmaak van artikel 4.2.14, §2 VCRO, te verwijzen naar een datum die afhankelijk is van een bewijsvoering die zo problematisch is gebleken in het verleden dat de decreetgever corrigerend is moeten optreden.

Voor het einddatum van het weerlegbaar vermoeden van vergunning ex. Artikel 4.2.14, §2 VCRO dient volgens de Raad voor Vergunningsbetwistingen dan ook niet gekeken te worden naar de dag waarop het gewestplan effectief tegenstelbaar werd voor de rechtsonderhorigen, wat deze ook moge zijn, maar dient voor het betrokken gewestplan slechts nagegaan te worden wanneer dit een eerste maal inwerking trad, met name 15 dagen na de bekenmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. 

Zodoende lijkt de Raad voor Vergunningsbetwistingen een einde te hebben gemaakt aan een jarenlange discussie. Evenwel is de in het ongelijk gestelde partij volgens de ons gekende gegevens voornemens om cassatieberoep aan te tekenen tegen de uitspraak.

Wordt vervolgd... 

 

Meer info?

Contacteer Tom SWERTS Advocaat-vennoot GD&A Advocaten
Tel 015/40.49.40 of tom.swerts@gdena-advocaten.be

Contacteer Alisa KONEVINA Advocaat GD&A Advocaten
Tel 015/40.49.40 of alisa.konevina@gdena-advocaten.be